Mare Nummer 31     09 juni 2011

31
Jeroen Mettes op de dag van zijn afstuderen.
FOTO: Piet Mettes
Dagboek van een radicaal
Briljant blog van uit het leven gestapte denker in boekvorm verschenen

Vijf jaar geleden maakte de Leidse promovendus Jeroen Mettes een einde aan zijn leven. Deze week verscheen zijn nagelaten werk. Mare-redacteur en voormalig studiegenoot Thomas Blondeau gedenkt hem. ‘In de collegezaal domineerde hij iedere discussie. Opmerkelijk voor iemand die negentig procent van de tijd zweeg.’

In de Nederlandse literaire blogosfeer bloeien honderden bloemen. Liefhebbers, kunstenaars en critici produceren een constante stroom van gedichten, scheldpartijen, nieuwtjes en essays. Het niveau varieert van krakkemikkig tot weloverwogen. Omdat het meestal eenmansprojecten zijn, treedt bij mij vaak leesvermoeidheid op. Na een paar maanden zijn de voorkeuren en ijkpunten van de schrijver wel bekend. Soms hoor je een schrijver wel eens over innerlijke noodzaak praten, maar een lezer kent die ook.

Slechts één blog wist me blijvend boeien. Zelfs al verschijnt er al vijf jaar lang geen nieuw bericht meer: Poëzienotities geschreven door Jeroen Mettes (1978 – 2006). De blog is nog geen anderhalf jaar actief bijgehouden. In die korte tijd genereerde die zoveel aandacht dat Vlaamse en Nederlandse kranten in memoria publiceerden toen Mettes uit het leven stapte.

Deze week verscheen een tweedelige cassette met zijn nagelaten werk. Het boek Weerstandsbeleid bestaat hoofdzakelijk uit de teksten van de blog. Het tweede deel, N30+, vernoemd naar de codenaam voor de andersglobalisten tijdens de protesten in Seattle, is een bundeling van zijn gedichten. Wat maakte Mettes zo uitzonderlijk?

Alleen al de inzet. De eerste post, geplaatst op 29 juli 2005, leest als een oorlogsverklaring: ‘Het was tijd om uit de marges en in de die wind die waait tussen de graven te kruipen, boeken te lezen, misschien zelfs kranten. Waarom? (…) Zonder bullshit: ik heb de hedendaagse Nederlandse poëzie lang genoeg (half-)genegeerd. Werkelijk. Alles wat afschuwelijk is, ik bedoel, hier, of aan dit land, is me altijd voorgekomen als gesublimeerd in deze poëzie.’

Hoe zou hij dit labbekakkige fenomeen aanpakken? Door op alfabetische volgorde de poëziekast van een Haagse boekhandel door te werken en vervolgens de bundels te bespreken. Mettes week meteen af van andere critici omdat hij van poëzie niet in de eerste plaats troost, anekdotisch vermaak of zelfs schoonheid verwachtte. Zijn schrijven werd gedreven door de vraag of deze of gene gedichtenbundel überhaupt bestaansrecht had. Poëzie achtte hij per definitie nutteloos en net daarom werd het aan de hoogst mogelijk standaard getoetst: Verandert dit gedicht iets aan de status quo? Verzet het zich tegen het bestaande?

Die standaard valt samen met Mettes’ onenigheid met de wereld. Hij hekelde het kapitalisme en vooral de vanzelfsprekendheid waarmee het onze levens bepaalt. Kunst kan daaraan ontsnappen. In een poëtica bij N30, een prozagedicht van meer dan tweehonderd pagina’s omschreef hij een kunstwerk als: ‘een stukje paradijs in de hel, een ansichtkaart uit het tranendal geadresseerd aan het paradijs, aan X.’

De blog beperkt zich al snel niet alleen tot letterkunde. Politiek, muziek en media worden ook over de hekel gehaald. Dit alles geschreven op een elegante, speelse en erudiete wijze. Maar het bleef hem altijd menens. Voor de lezer was het duidelijk, dit was het dagboek van een radicaal.

Op het moment van zijn zelfdoding was hij als promovendus verbonden aan de Leidse vakgroep literatuurwetenschap. Ik had jaren daarvoor vakken met hem gevolgd. Als de literatuurlijsten werden uitgedeeld aan het begin van het jaar, had hij alles al gelezen. Of hij vond ze te makkelijk en las de werken waarop ze gebaseerd waren. In de collegezaal viel hij al snel op door iedere discussie te domineren. Opmerkelijk voor iemand die negentig procent van de tijd zweeg. Met zachte maar beslissende stem zei hij soms iets wat al het voorgaande meteen overbodig maakte. Dat hij cum laude afstudeerde en meteen kon promoveren, vonden zijn medestudenten niet meer dan vanzelfsprekend.

Toen ik in een literair blad mijn eerste gedicht publiceerde, was hij de enige in mijn omgeving die het opgemerkt had. Toen hij me erover sprak, trilden zijn handen; hij beefde over zijn hele lijf. Ook zijn soms lange periodes van afwezigheid waren signalen dat Mettes in oorlog met zichzelf lag. In 1999 had hij al zelfmoordpoging ondernomen.

Die innerlijke strijd begon zijn virtuele geschriften aan te vreten. ‘Ik ga deze blog alleen nog voor stomme doeleinden gebruiken’, schrijft hij medio augustus 2006. Zijn voorlaatste post is het bericht dat dichter Ilja Leonard Pfeijffer (die hij eerder als vijand had betiteld) het huwelijk van acteursduo Katja Schuurman en Thijs Römer heeft bekrachtigd in ‘zijn bevoegdheid als dichter’. Mettes voegt eraan toe: ‘Als dit geen bewijs is dat poëzie er toe doet, dan weet ik het niet meer…’ 21 September verschijnt er een lege post.

Op zijn begrafenis vijf dagen later speelt een vriend waarmee Mettes correspondeerde, piano. Ze hadden elkaar nooit in den vleze ontmoet. Het merendeel van de aanwezigen en zelfs de sprekers op de boekpresentatie afgelopen dinsdag kenden de overledene alleen maar via het geschreven woord. Het copyright van zijn werk berust bij twee ooms.

Ik contacteerde ooit een van hen toen ik wou afstuderen op een onderdeel van Mettes’ onafgemaakte proefschrift over het vormloze poëzie. Bij lezing bleek dat die exercitie het soort kennis vergde dat ik niet in huis had. En er even ongenadig invliegen als Mettes; dat had ik er niet voor over. Of durfde ik misschien niet. Ik koos voor meer beheersbare materie.

Een dichter en denker die er een eind aan maakt op de eerste dag van de herfst. Een cliché waar Mettes het zijne van zou hebben gedacht. Net zoals van het cliché dat een briljante geest al zijn intelligentie en souplesse van denken niet kan inzetten om simpelweg de volgende dag te halen.

Waarom ontsnappen aan vastgeroeste woorden en denkbeelden moeilijk maar niet onmogelijk is, waarom dat zelfs een plicht is – de schrijver van Weerstandsbeleid had het verrassender en degelijker kunnen uitleggen dan ik. De schrijver van N30+ deed het zelfs voor. De lezer mag nu die inspanning leveren. Correctie: moet. Hoe clichématig dat ook klinkt.


Jeroen Mettes, Weerstandsbeleid en N30+, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 29,90

Jeroen Mettes over


Het spreken van de dichter
‘De dichter mag zoals iedereen meedoen aan het publieke discours, waar iedereen zijn mening mag geven over alles, en dat dan ook doet, zonder enige repercussies maar ook met bijzonder weinig resultaat. Wat moet een dichter in een samenleving waar de vrijheid van meningsuiting boven alle andere vrijheden wordt gesteld, en zelfs een soort sinistere plicht wordt?’


Mickey Mouse
‘Mickeys meest indrukwekkende vijand was ‘The Phantom Blot’: letterlijk een vlek inkt op papier, figuurlijk een man in een pak. Deze spookachtige vlek – slecht vertaald in de Nederlandse strips als ‘De Zwarte Schim’ – had soms ook een mond, wat de illusie van een persoon onder een laken nog verder ondermijnde. Disney heeft wat vervreemdingseffecten betreft nooit onder hoeven doen voor Brecht. Met een beetje goede (marxistische) wil kunnen we de Vlek interpreteren als het spook van het communisme – zijn hoogtijdagen vielen ruwweg samen met de Koude Oorlog – en als een materiële metafoor voor het productieproces.’


Anna Enquist
‘Anna Enquist is chic op de manier dat Jane Campion-films chic zijn: gemakkelijk te consumeren high culture. Je zou haar karakteristieke hoofd als buste in je huiskamer neer willen zetten, gewoon om gasten op te laten merken: ‘Hé, dat is toch Anna Enquist, een van de bekendste schrijvers in de hedendaagse Nederlandse literatuur?’ Misschien is ze de vrouwelijke Harry Mulisch, hoewel de laatste wat moeilijker wordt gevonden omdat hij een man met een pijp is.’

Magneto, één van de meest complexe personages uit de Amerikaanse comics, stond op Mettes’ blog als profielplaatje

TB
Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook