Mare Nummer 16     27 januari 2011

16

FOTO:
De dreiging wil het
Antiterrorismewetten werken niet

Een buurvrouw die je van terrorisme beschuldigt? Dan mag de politie je telefoon aftappen. Een criminoloog en strafjurist promoveerde op antiterrorismewetgeving. Conclusie: het brengt de rechtsstaat in het geding.

DOOR ARJEN VAN VEELEN Weet u het nog? Op kerstavond ontsnapte ons land aan een terreuraanslag. Een speciale eenheid arresteerde met groot machtsvertoon in Rotterdam twaalf burgers, die volgens een ambtsbericht van de AIVD op het punt stonden een aanslag te plegen. Groot nieuws op internet, de kranten, het journaal. De hele Somalische gemeenschap werd door de mangel gehaald. Alle belhuizen waren opeens verdacht. Inmiddels zijn alle verdachten weer op vrije voeten. Voor deze SomaliŽrs was kerstavond vervelend, maar voor universitair docent Maartje van der Woude (1980) kon de timing van de arrestatie bijna niet beter: een week eerder promoveerde zij op een onderzoek naar de totstandkoming van terrorismewetgeving in Nederland; wetgeving die onder andere het oppakken van de SomaliŽrs mogelijk maakte.

Van der Woude onderzocht de periode van linkse en Molukse terreur in de jaren zeventig en vergeleek die met de afgelopen jaren. Hamvraag: waarom voerden we in de jaren zeventig geen speciale terreurwetten in, terwijl er toen in Nederland meer doden vielen door terrorisme dan nu? Eťn van haar conclusies is dat we nu in een 'veiligheidscultuur' leven waar de schijn van veiligheid boven alles gaat, zelfs boven individuele rechten. Haar inspiratiebronnen daarbij zijn het van Ulrich Beck over de risicosamenleving en het werk van David Garland over de culture of control. De promovenda concludeert ook dat de nieuwe antiterreurwetten in praktijk op onderdelen op gespannen voet staan met fundamentele rechten maar vooral dat bij de totstandkoming van die wetten politieke en electorale belangen zwaarder lijken te hebben gewogen dan rechtstatelijke principes. Het lijkt erop dat valide kritiek werd genegeerd uit angst om de gunst van het volk kwijt te raken, stelt de promovenda, die nu werkt als UD Criminologie bij het Instituut voor Strafrecht en Criminologie.


Ik ben een brave burger. Ik heb toch geen last van die antiterrorismewetgeving?

'Ken je het Ikea-verhaal, anderhalf jaar geleden in de Bijlmer? Iemand pleegde een anoniem telefoontje dat drie mannen explosieven wilden plaatsen gericht op het maken van slachtoffers onder winkelend publiek. De halve Bijlmer werd afgezet, het treinverkeer stond stil en een concert van de band The Killers werd geannuleerd. Achteraf bleek dat het telefoontje van een door relatieproblemen verwarde vrouw kwam.'


Waarom kan zoiets nu wel en voorheen niet?

'Zodra een verdachtmaking valt binnen een 'terreurcontext', mag de politie of geheime dienst veel eerder dan voorheen je telefoon aftappen of je internetverkeer lezen. Normaliter geldt in het strafrecht dat er daarvoor een 'redelijk vermoeden van schuld' moet zijn. Maar nu, zodra het om een terrorisme gaat, is een "aanwijzing" al voldoende. Wat een aanwijzing is? Ik sloeg bijna stijl achterover toen ik in een kamerstuk las hoe voormalig minister van Justitie Donner dat interpreteerde: "moeilijk verifieerbare geruchten" of "een anoniem telefoontje".'


Als iemand over mij roddelt dat ik terrorist ben, is dat voldoende?

'Dat hangt in eerste instantie natuurlijk af van de inhoud van de geruchten, maar stel, jouw buurvrouw mag je niet. Ze belt de politie en zegt dat jij met een schimmig drugszaakje bezig bent zonder daar veel verdere details over te geven. Omdat er in het strafrecht in principe niet veel kan worden gedaan met ťťn verklaring zal de politie in zo'n geval misschien eens polshoogte nemen in de buurt en misschien zelfs aanbellen om verhaal te halen : "Goh, meneer, we hebben een telefoontje gehad, zus en zo." Maar binnen de terrorismecontext zal een melding over mogelijke 'terroristische activiteit' direct hoog opgenomen worden en zal zo'n melding kunnen worden aangemerkt als een aanwijzing. Op dat moment mogen AIVD en inlichtingendiensten allerlei informatie over je verzamelen: van bankgegevens tot allerlei telecommunicatiegegevens.'


Je kunt toch niet altijd netjes wachten tot je weet dat een terrorist echt gaat toeslaan?

'Deze wetgeving is niet alleen maar onzin. Soms zijn er concrete aanwijzingen dat er wat broeit. Het zou best kunnen dat het bestaande strafrecht op onderdelen niet meer voldoet. Mijn punt is: als je als overheid er toe besluit dat je zulke controversiŽle nieuwe wetten wilt invoeren, je dit op een inzichtelijke en weloverwogen manier moet doen. Hierbij zul je met het oog op van de legitimiteit van de wetgeving allereerst moeten aantonen waarom ze nodig zijn en ten tweede er voor moeten zorgen dat ze niet louter onder invloed van politieke argumenten voor electoraal gewin tot stand komen. Alle in het geding zijnde belangen, zowel het belang van een veilige samenleving maar ook het belang van de potentiŽle individuele terrorist of burger die voldoet aan dat profiel, moeten tegen elkaar afgewogen worden. Op basis van deze belangenafweging en met inachtneming van mogelijke spanningen met grond- en mensenrechten moet vervolgens een gemotiveerde beslissing worden genomen over het al dan niet invoeren van de wetgeving. Op deze onderdelen schiet de antiterrorismewetgeving naar mijn mening te kort.'


Wat ging er dan bijvoorbeeld mis?

'Tijdens mijn onderzoek las ik af en toe de Kamerstukken bijna met plaatsvervangend schaamte. De vraag waarom de wetgeving Łberhaupt nodig was, werd nauwelijks gesteld. Alle Kamerdebatten over de deze antiterrorismewetgeving kun je in feite reduceren tot het allesoverwinnende argument: in het kader van de dreiging is dit noodzakelijk. De dreiging wil het. Punt. "Niet moeilijk doen", zeiden de verantwoordelijke ministers, "de dreiging is er nu eenmaal" - zonder nadere specificatie. Of: "Het volk wil het" - zonder dat te onderbouwen met cijfers. Subjectieve onderbuikgevoelens mogen nooit als een van de belangrijkste argumenten voor nieuwe wetgeving worden aangedragen. De kritiek van partijen als GroenLinks, SP en D66 verstomde al snel; alleen de Tweede Kamer fractie van GroenLinks hield bij alle wetgeving de poot stijf en wilde betere argumenten zien. Ook de wet onder welke paraplu die SomaliŽrs opgepakt werden, was onderwerp van discussie: moet er geen schadevergoedingsregel in komen? Men had toen al door dat er onschuldige mensen aan deze wet ten prooi zouden vallen. Maar nee, dat was niet nodig. En nu is er gesteggel of deze SomaliŽrs Łberhaupt schadevergoeding krijgen. Je zou zeggen: je mensen twee weken vast en laat ze daarna weer gaan - natuurlijk zou daar wat tegenover moeten staan.'


Liever tien keer de verkeerde oppakken dan ťťn keer te laat zijn, toch?

'Je kunt je afvragen of je Łberhaupt effectieve wetgeving kunt maken tegen iemand die, bijvoorbeeld, met een bommenriem op de Dom gaat staan. En met het gewone strafrecht is ook al veel mogelijk, als er misschien wat efficiŽnter zou worden omgesprongen met bestaande middelen en bevoegdheden. Wat wel zou kunnen is het opstellen van een apart 'Wetboek voor terreur' binnen de kaders van het bijzondere strafrecht. Dat lijkt mij het meest zuiver. Op deze manier heb je geen vervuiling van het reguliere strafrecht en is de kans kleiner dat de speciale 'terreurbevoegdheden' ook bij gewone, niet-terroristische, misdrijven ingezet worden. In een tijd waar veiligheid hoog op de politieke agenda staat is dat een realistisch gevaar. Deze


Al deze antiterrorismewetten kwamen door de kamer. Nederland is toch een democratie. Wat is dan het probleem?

'Dat is een misverstand. Vaak wordt ten onrechte gedacht: niet zeuren, dit is wat de meerderheid heeft besloten. Hoewel in de democratie die ons land is de stem van de (gekozen) meerderheid zwaar weegt waar het nieuwe wet- en regelgeving betreft, moet niet uit het oog verloren worden dat Nederland niet alleen een democratie is, maar een democratische rechtsstaat. In de veiligheidscultuur lijkt, mede onder invloed van de media en een sterk op de 'onderbuikgevoelens' van de bevolking gerichte populistische politiek het rechtstatelijk gehalte van de wetgeving steeds verder uit het oog verloren te worden. Concreet heeft dit tot gevolg dat bij de totstandkoming van nieuwe wetgeving op het gebied van veiligheid, niet alleen bij de antiterrorismewetgeving, belangrijke vragen over de noodzaak,legitimiteit en consistentie van deze wetgeving het af moeten leggen tegen vaak slecht onderbouwde argumenten zoals 'dat het zo echt niet langer kan', 'dat de dreiging daar toe noopt' of 'dat het volk om er op vraagt'.'


De terreurwetten staan op gespannen voet met mensenrechten en beginselen uit het strafrecht. Kun je dat illustreren?

'Neem de Wet afgeschermde getuigen (WAG). Die maakt bijvoorbeeld mogelijk dat een AIVD-ambtenaar - geheel zonder zijn identiteit kenbaar te maken - tegen je mag getuigen. De raadsman van verdachte heeft dus geen enkel benul wie de persoon van de getuige is. Omdat de verklaringen gedaan door deze afgeschermde getuige vervolgens ook buiten het dossier kunnen worden gehouden kan grote onduidelijkheid bestaan over de aanleiding van de aanklacht. Dat brengt de verdediging op een achterstandspositie en staat dan ook op zeer gespannen voet met het recht op een eerlijk proces. Een andere wet die op gespannen voet staat met mensenrechten en rechtsbeginselen is de al eerder genoemde Wet Verruiming Bevoegdheden bij Opsporing en Vervolging Terroristische Misdrijven. Bij deze Wet gaat het om spanning met het recht op eerbiediging van een privť leven doordat al op basis van 'aanwijzingen' ingrijpende bijzonderde opsporingsbevoegden mogen worden ingezet en databanken met allerlei (telecommunicatie)gegevens gekoppeld kunnen worden. Doordat cruciale begrippen in deze wet nauwelijks of bijzonder vaag zijn omschreven bestaat ook het gevaar van selectiviteit op basis van etniciteit wat zich natuurlijk slecht verhoudt tot het discriminatieverbod. '


De wetten zouden slechts 'schijnveiligheid' opleveren. Hoezo schijn?

'Het onterechte signaal naar de bevolking is: we hebben alles onder controle, kijk maar naar dit pakket van wetgeving en harde maatregelen. Maar bij elke van deze wetten kun je zoals ik zei afvragen of die in praktijk wel zullen werken en niet juist polarisering , radicalisering en daardoor meer terrorisme in de hand zullen werken. De oorzaak van het probleem wordt hierdoor niet aangepakt en misschien zelfs wel versterkt! Het religieus gemotiveerde terrorisme zoals we dat kennen sinds 9/11 zal zich nooit laten temmen door wet- en regelgeving, hoeveel regeltjes er ook worden bedacht.'


Veel strafrechtwetenschappers hadden van te voren kritiek op deze terrorismewetten, net als de Raad van State. Toch zijn ze er nu.

'Ik ben geschrokken van de beperkte doorwerking van de kritiek van zowel (straf)rechtswetenschappers als van de Raad van State. Zeker die laatste: de Raad van State is bijzonder kritisch geweest en heeft van een aantal wetten de noodzaak ter discussie gesteld. Daar is weinig mee gebeurd. Bij de behandeling van de Wet Terroristische Misdrijven is de Raad van State zelfs gepasseerd, 'omwille van de urgentie'. Er zou geen tijd zijn om te vragen om advies. Zo werd een belangrijke waarborg omzeild. Op zo'n moment kun je je afvragen wat de meerwaarde is van deze waarborg en of deze nog wel functioneert.'


En de academici? Zijn ze te academisch gebleven in hun kritiek?

Juristen worden afgerekend op publicaties in vaktijdschriften die doorgaans niet worden gelezen door Tweede Kamerleden, laat staan door het grote publiek. Juristen zouden hun publieke rol serieuzer kunnen nemen, meer het debat aangaan met de politiek, zoals er in de criminologie al enkele jaren wordt gepleit voor meer 'public criminology'. Niet iedereen hoeft te gaan schrijven voor de Libelle of Elsevier, maar het zou ontzettend goed zijn als de burger meer en betere informatie kreeg. Bijvoorbeeld over criminaliteit: dat de trend in tegenstelling tot wat veel mensen denken dalende is, niet stijgende. Ik denk ook dat juristen meer oog moeten hebben voor de lastige positie van politici: hoe die moeten balanceren met partijbelangen, met de populistische golf, met de roep om iets te doen. Maar andersom: de politiek zou ook meer oor moeten hebben voor de valide kritiek van academici. Om dit laatste te bereiken zou het goed zijn om parlementariŽrs van meer en beter juridisch en criminologisch geschoold ondersteunend personeel te voorzien.

Maartje van der Woude, Wetgeving in een Veiligheidscultuur. Totstandkoming van antiterrrorismewetgeving in Nederland bezien vanuit maatschappelijke en (rechts)politieke context . Promotie was 15 december 2010. Het proefschrift verscheen bij Boom Juridische Uitgevers.

Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook