Mare Nummer 08     04 november 2010

08

FOTO: Michiel Walrave
Hij schonk ons de hemel
De Leidse sporen van Harry Mulisch (1927-2010)

Hij stal lenzen uit het museum, had ‘een ontzaglijke eerbied’ voor de universiteit en vocht op het Rapenburg met een melkboer. De zaterdag overleden schrijver Harry Mulisch hield van Leiden, schrijft literair journalist en Wolkers-biograaf Onno Blom.

Harry Mulisch wist al jong dat hij een genie was, alleen nog niet waarin. Aanvankelijk was hij ervan overtuigd dat hij ooit de Nobelprijs voor de chemie of astronomie zou krijgen – zijn zolderkamer had de zelfverklaarde ‘prof. Dr. Ir. H.K. Mulisch’ ingericht als laboratorium voor wetenschappelijke experimenten – maar hij ‘werd wat hij was’: een schrijver.

De waardering die Mulisch zijn hele leven voor Leiden is blijven koesteren, vindt zijn oorsprong in de dromen uit zijn jeugd. Hij had ‘een ontzaglijke eerbied’ voor de oudste en beste universiteit van het land, daar hadden Albert Einstein, Heike Kamerlingh Onnes en Hendrik Lorentz lesgegeven, daar bevonden zich de musea waarin de academische schatten stonden uitgestald.

In 1941 kwam Harry liftend naar Leiden uit zijn geboortestad Haarlem. Hij was alleen en veertien jaar. ‘Bijna volwassen en toch jong genoeg om niet bij razzia’s te worden opgepakt’, vertelde Mulisch mij bijna twee jaar geleden. Was dat niet een beetje al te avontuurlijk voor een half-joodse jongen van veertien tijdens de oorlog, vroeg ik hem. ‘Avontuurlijk? Tsja, dat kan zo zijn, maar dat realiseerde ik me toen niet.’

Hij bezocht Museum Volkenkunde – waar hij de twee jaar oudere Jan Wolkers had kunnen tegenkomen, die daar elke zaterdagmiddag door de zalen zwierf – en het Museum van Oudheden. Daar raakte hij met name gefascineerd door het prachtige beeldje van een gehurkte schrijver uit de vijfde dynastie. ‘Hier, in dit Egyptische, deze hypersymbolische cultuur, spiegelt zich in het kunstzinnig diepste punt van mijn ziel’, schreef Mulisch erover in Zielespiegel.

Maar het allerliefst kwam Harry in het Museum voor de Geschiedenis der Natuurwetenschappen, het latere Museum Boerhaave. ‘Daar was het tijdens de oorlog doodstil’, vertelde hij. ‘Niemand kwam daar toen, behalve de custos. En die hoorde niets, want die was oud en doof.’

Dat kwam goed uit, want de veertienjarige kwam niet louter om rond te kijken, maar ook steeds om iets mee te nemen. ‘In de bovenzalen stonden nog wat achttiende-eeuwse telescopen en lenzen waar toch niemand doorheen keek’, schreef Mulisch in Anekdoten rondom de dood. ‘Die lenzen leende ik om thuis in een kachelpijp te schroeven en mee naar de sterren te kijken.’ Lenen? ‘Naar mijn inzicht bestond het wezen van de telescoop hieruit, dat men ermee kijkt, niet dat men ernaar kijkt.’

Mulisch vond achteraf dat hij een succesvolle criminele carrière was misgelopen. ‘Ik hoop dat mijn misdaad verjaard is.’ Steeds keerde hij terug naar het museum om de oude lens terug te brengen en weer een nieuwe te ‘lenen’. De laatste bleef in zijn bezit. ‘Eigenlijk heb ik die lens gered, want op die zaal van het museum viel later in de oorlog een bom. Alles verwoest, behalve mijn lens.’

Met die zware lens op zak liep Harry door de stad. ‘Op de hoek van het Rapenburg liep een vent met onder zijn handkar een hond, die de kar moest trekken. Op zichzelf voldoende om hem een oor af te snijden. Maar nu schopte hij de hond die kennelijk een plas moest doen, hard tussen zijn achterpoten. Er was geen besluit nodig om hem naar zijn keel te vliegen.’

Mulisch verloor niet snel zijn kalmte, maar van de dieren moest je afblijven. ‘Honden zijn ook mensen, dus ik vloog die man naar zijn keel.’ Ze rolden over straat. ‘Plotseling’, schreef hij in Anekdoten rondom de dood, ‘daalde uit het niets een laars neer, zodat de vent met het bloed uit zijn gezicht spattend opzij rolde en bleef liggen. Ik werd door een ijzeren hand opgericht en kreeg een klopje op mijn wang. “Bravo, Bursche!” Ik keek in het vriendelijke, trotse gezicht van een boom van een kerel – in SS-uniform.’

De ironie van de oorlog in een notendop.

In Mulisch’ magnum opus De ontdekking van de hemel keert zijn alter ego Max Delius met zijn ‘aartsvriend’ Onno Quist, voor wie de schaker Jan Hein Donner model stond, terug naar Leiden. ‘De kleine stad, met haar lage huizen, omvatte hen op een andere manier dan Amsterdam: zij voelden iets van vertedering, zoals iemand uit Londen of New York in Amsterdam moet ervaren.’

Max werkt als astronoom bij de Sterrewacht. Onno zoekt hem in Leiden op. Ze spreken af voor een stadswandeling bij De Vergulde Turk in de Breestraat, net zoals Gustav Mahler en Sigmund Freud dat op 26 augustus 1910 hadden gedaan. Mahler had ontdekt dat zijn veel jongere vrouw Alma, wier lusten hij nimmer echt had kunnen bevredigen, er een verhouding op nahield. Hij was dodelijk bevreesd dat ze hem zou verlaten en smeekte Freud - die destijds zijn vakantie doorbracht in het Noordwijkse Huis ter Duin - om hulp. De wandeling van Max Delius en Onno Quist in De ontdekking van de hemel is één grote parodie op het fameuze wandelconsult.

Max heeft geen last van impotentie, zoals Mahler. Integendeel. ‘Zo zo, Herr Obermusikdirektor, u lijdt dus aan overpotentie’, zegt Onno tegen zijn vriend. ‘In mijn psychoanalyse heb ik hiervoor de term “astronomische satyriasis” geprägt.’ Mulisch had er, desgevraagd, geen enkele moeite mee te erkennen dat de ‘liederlijke panbronst’ om alle vrouwen bezitten op zijn eigen leven was gebaseerd. In een Amerikaanse krant verscheen ooit het bericht dat hij op zijn tweeënveertigste een feestje had gegeven ter ere van de verovering van zijn duizendste vrouw. Een belediging, volgens de schrijver. ‘Als ze dat nou op m’n vierentwintigste hadden geschreven.’

Op hun wandeling zien de vrienden een exemplaar van Mein Leben van Alma Mahler in de etalage van het Antiquariaat Lof Der Zotheid liggen. De winkel bevindt zich op de plek waar in werkelijkheid Burgersdijk & Niermans te vinden is, ‘Templum Salamonis’, op de hoek van de Nieuwsteeg. ‘Zij stonden in een smalle straat achter de Pieterskerk, die als de Jungfrau uitrees boven de lage huizen van de oude binnenstad.’ In het antiquariaat ontmoeten zij Ada, de dochter van de boekhandelaar. Zij zal een verhouding krijgen met beide aartsvrienden en zij zal Quinten baren, de ware held van De ontdekking van de hemel.

Max, Onno en Ada lopen samen naar de hortus botanicus, die door Mulisch als oord van betovering wordt beschreven. ‘De bordjes bij elke boom ontlokten Onno de opmerking, dat zij zich hier blijkbaar in het paradijs bevonden, waar Adam aan de opdracht tot naamgeving had voldaan.’ Via de hortus – die doorgang is inmiddels hermetisch afgesloten – bereikt het drietal zijn bestemming: ‘Aan het einde van de tuin verscheen de Sterrewacht: een hoofdgebouw van twee verdiepingen, bekroond door de koepel, links en rechts vleugels van lage bijgebouwen, - alles in lichte kleuren, stilistisch het midden houdend tussen een negentiende eeuws havenkantoor en een renaissancistische kerk. Aan de achterkant waren nog twee kleinere koepels.’

In het voorjaar van 1990, tijdens het schrijven van De ontdekking van de hemel, was Mulisch in Amsterdam in zijn auto gesprongen en naar Leiden gereden om goed te kijken hoe de Sterrewacht eruit zag. ‘Bovendien was ik al eens in de Sterrewacht geweest. Ik herinner me de hoge hal, waarin men films had opgehangen om te drogen.’

In de roman zijn de films ponskaarten geworden, die de medewerkers ontwarren om de resultaten van hun metingen te bekijken. De schim van de wereldberoemde wetenschapper J.H. Oort wandelt ook nog even het boek binnen. ‘Een rijzige, aristocratische heer van tegen de zeventig, met een kalende schedel en een scherp getekend gezicht’. Hij is de directeur van Max Delius, die in een flits een quasar ontdekt die geen quasar blijkt te zijn, maar een punt aan het firmament waarachter de big bang zichtbaar zou kunnen zijn. Een punt dat zowel verdwijn- als verschijnpunt is: de hemel.

In Mulisch’ alchemistische universum – de magie van de chemie verdween nimmer uit zijn werk – en in zijn persoonlijke mythologie kan het geen toeval zijn dat Max juist hier, in de Sterrewacht was begonnen om de hemel te ontdekken. De diefstal van de jonge Harry had geloond. Zijn blik was gericht en gescherpt. ‘Ik nam iets mee uit Leiden’, zei Mulisch, ‘maar ik gaf de stad ook iets terug.’


Onno Blom publiceerde Zijn getijdenboek, een fotobiografie van Harry Mulisch (De Bezige Bij Amsterdam, 2002) en de interviewbundel Onsterfelijk Leven (De Bezige Bij Amsterdam, 2007). Dit stuk is mede gebaseerd op een hoofdstuk uit zijn boek Bloem der steden. Schrijvers over Leiden.


Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook