Mare Nummer 06     14 oktober 2010

06
Mark Rutte als staatssecretaris van Onderwijs tijdens een protest tegen zijn beleid.
FOTO: Marc de Haan
Tom Poes wordt premier
De Leidse studentenjaren van Mark Rutte

Vandaag wordt het eerste kabinet Rutte beëdigd. Wat voor een student was de nieuwe minister-president? ‘Hij hing niet in de lampen.’

DOOR FRANK PROVOOST Eén ding heeft Simon Groenveld (69) nooit begrepen. Toen Mark Rutte staatssecretaris van Onderwijs werd, dook overal het verhaal op dat uitgerekend hij – als voorstander van ‘snellere’ studenten – zeven jaar over zijn studie had gedaan. Maar als scriptiebegeleider wist Groenveld dat zijn oud-student drie jaar voorzitter was geweest van de JOVD, de jongerenorganisatie van de VVD.

‘Daarvoor had hij zijn studie stopgezet’, zegt de emeritus hoogleraar vaderlandse geschiedenis. ‘Iedere eenvoudige alfa kan dus uitrekenen dat hij gewoon netjes in vier jaar is afgestudeerd’ Alleen: dat heeft hij zijn oud-student nog nooit horen zeggen. ‘Dat is het merkwaardige: Mark doet dat gewoon niet. Hij heeft helemaal niet behoefte om zich te verdedigen.’

Het is tekenend voor de nieuwe premier wiens eerste kabinet vandaag wordt beëdigd. Kritiek doet hem weinig, zeggen degenen die hem nog kennen uit zijn studententijd. En: hij is altijd het sympathieke, studentikoze zondagskind van toen gebleven. Tussen 1985 en 1992 studeerde hij geschiedenis in Leiden. En hij is niet de enige nieuwe bewindspersoon met Leidse wortels: nog vier ministers (van de twaalf) uit Rutte 1 studeerden er, één was er hoogleraar (zie pagina 6).

De nieuwe minister-president was een ‘hardwerkende, aangename student’, zegt Groenveld. ‘Ik heb alle cijfers van zijn hele studie opgevraagd, want u bent niet de enige met vragen over die tijd. Ik heb de lijst voor me, maar ik ga er niet uit citeren - hoewel de cijfers niet zodanig zijn dat ze niet zouden mogen worden genoemd.’ Hij somt wel alle werkgroepen op, die een ‘zeer brede belangstelling’ verraden: amerikanistiek, stalinisme, Holland en Habsburg in de zestiende eeuw, Indonesisch nationalisme, Nederland Duitsland 1919-1970, Oostenrijk 1918-1939, de Sovjet-Unie na 1940. ‘En behalve Wonderen in de Griekse Oudheid zie ik ook nog een vak over Vikingen staan.’

En zijn scriptie? ‘Die zult u niet vinden. Niet om flauw te doen, maar daar bestaan bij onze opleiding richtlijnen voor. Door het gebrek aan ervaring bij de auteur bevatten afstudeerscripties vaak nog allerlei beperkingen, waarover je achteraf bezwaren kunt hebben. Daarom worden ze niet vrijgegeven aan de publiciteit.’ Het onderwerp, de opstand van patriotten in Haarlem aan het eind van de achttiende eeuw, wijst wel al op Ruttes politieke interesse, zegt Groenveld. ‘Zij wilden de invloed van de Oranjes terugdringen. Je zou ze kunnen zien als de voorlopers van de liberalen. Hij is “met veel genoegen” afgestudeerd, dat kan ik wel zeggen, dus met een zevenenhalf.’

‘Hij heeft zich goed gedragen’, zegt Ab van der Steur. Zijn antiquariaat in Haarlem is gespecialiseerd in Nederlands drukwerk voor 1850. Rutte liep hier enkele maanden stage om een deel van de collectie te ontsluiten. ‘Ik heb honderdduizenden portretprenten’, zegt Van der Steur. ‘Er is speurwerk voor nodig om te bepalen wie erop staat, wie het gemaakt heeft, en naar welk schilderij dat is gebeurd.

Het corps vond hij maar niks
Het is een kwestie van ‘goed zoeken’, zegt Van der Steur. ‘Namen die zijn gelatiniseerd, moet je terugvertalen. Ik heb zelf een uitgebreide bibliotheek met handboeken, maar soms ging Mark naar de Leidse universiteitbibliotheek of de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Ik vergoedde zijn reiskostenvergoeding en gaf hem te eten. Maar hij kreeg verder geen stagevergoeding.’ Rutte was ‘een sympathieke vent’, die ‘erg serieus’ was en zijn stage ‘grondig’ deed. En hij was al politiek actief. ‘Maar ik heb toen niet gedacht: ooit wordt dit de nieuwe minister-president. Later hoorde ik hem tijdens een radiodebat dat ging over mensen die niet aan het werk willen. Daar zei hij: “Bij mijn eerste baantje in een antiquariaat moest ik om half negen beginnen, en dan was ik er ook.”’

Het corps of andere studentenverenigingen trokken hem niet, zegt Groenveld. ‘Hij hield niet van het kolossale.’ Zo studeerde hij bijvoorbeeld graag in de hortus. ‘Dan zat hij onder een boom een boek te lezen.’ En hij woonde weliswaar op kamers (‘en dus niet bij zijn moeder, zoals zo vaak wordt beweerd’), maar in Scheveningen. Zijn favoriete Leidse kroegen waren Barrera, het Keizertje of het Belgisch Café, bij het Gerecht. Mocht het daar echt te laat worden om naar huis te gaan, dan bleef hij bij vrienden slapen.

‘Maar in het feestgedruis hield Mark zich afzijdig’, zegt Alex van Reeuwijk (44), medebestuurslid van de JOVD. ‘Hij was niet iemand die op tafel danste of in de lampen hing. Natuurlijk werd er na onze vergaderingen soms tot laat aan de bar bier gedronken. Maar de verbindende factor was toch de passie voor politiek en besturen. Never a dull moment, maar het ging wel altijd ergens over.’

In de collegezaal viel Rutte niet zozeer op door een spervuur aan vragen te stellen, zegt Groenveld. ‘Hij was vooral in de wandelgangen erg aimabel. Hij kwam altijd een praatje maken. Daar merkte je dat de studie hem echt interesseerde. Dat was een groot verschil met bijvoorbeeld Maxime Verhagen. Dat was een stillere student, die minder opviel.’

Rutte had toen al een grote vriendenkring, zegt Groenveld. ‘Van bevriende medestudenten herinner ik me vooral een oudere man, met wie Mark vaak samen piano speelde. Wij hebben bij geschiedenis altijd een paar van die grijze koppen in de collegezaal zitten. Met een van hen speelde Mark veelvuldig quatre mains.’

‘Ik had tussen 1945 en 1948 al rechten gestudeerd’, zegt Rien Schox (85), ‘maar na mijn vervroegde pensioen zocht ik een zinvolle bezigheid. Toen ben ik geschiedenis gaan studeren. Daar trok ik vooral op met de andere ouderejaars, tot ik bij een concert van het Residentie Orkest Mark tegenkwam. Ik herkende hem uit de collegezaal. Zo’n jong gezicht kom je bij een symfonieconcert zelden tegen. Hij bleek een ook nog groot pianoliefhebber te zijn. Ik had thuis twee vleugels staan en vroeg of hij niet samen wilde spelen. Dat kon hij voortreffelijk. Hij heeft een goed gehoor en is ook muzikaal erg intelligent. Iedere drie weken speelden we stukken van Brahms, de sonates van Mozart, de orgelmuziek van Bach. Ik voelde me net heer Bommel, en hij was mijn jonge vriend: Tom Poes.’

Rutte had nog wel overwogen om naar het conservatorium te gaan, weet Schox. ‘Maar hij begreep dat het vak van beroepspianist alleen was weggelegd voor de echt hoogbegaafden. Er zijn er zoveel die stranden op een muziekschool en de rest van hun hele leven les moeten geven aan onwillige pubers en onmuzikale kinderen. Dat is een ramp.’ Wel verdiende hij soms bij door zangers te begeleiden. Maar van een gezamenlijk optreden is het nooit gekomen. ‘We hielden alles binnenskamers.’ Ze bleven spelen tot Schox naar Arnhem verhuisde. ‘Hij speelt nu te weinig. Hij komt laat thuis en als hij dan nog wil spelen, hebben de buren daar last van.’

Rutte is ‘een typisch Haagse jongen’, vindt Schox. ‘De schrijver Louis Couperus zei ooit: “Zoo ik ièts ben, ben ik een Hagenaar.” Dat geldt ook voor Mark. Hij is honderd procent Benoordenhouts.’ Wat dat is? ‘In de slechte betekenis: bekakt. In de positieve: beschaafd en vlot.’ Verheugd: ‘Ik ben net begonnen aan een eerste opzet voor mijn felicitatiebrief. Hij wordt een buitengewoon goede premier. Hij mist het natuurlijke gezag van een staatsman, maar is bij uitstek een bindende figuur.’

Zo ging het ook bij de JOVD, weet Van Reeuwijk. Rutte volgde daar Annette Nijs op als voorzitter. ‘Toen overheerste het gevoel van: “Rutte gaat het doen. Prima. Rust in de tent.”’ In Den Haag zou de geschiedenis zich herhalen. Daar werd Rutte staatssecretaris van Onderwijs, omdat Nijs vanwege een ruzie met de minister moest opstappen. Van Reeuwijk: ‘Annette Nijs was veel technocratischer en opvliegender. Ze had minder gevoel voor menselijke verhoudingen en maakte meer vijanden. Mark was nooit hard, sloeg nooit met de vuist op tafel. Buiten de vergaderingen bracht hij vooral tijd door op het terras, om met cappuccino en appelgebak dingen uit te praten.’

Toch waren er wel degelijk conflicten, bijvoorbeeld tussen progressieve en conservatieve kampen, verspreid over de verschillende steden. ‘Sommige leden – bijvoorbeeld die uit Groningen – vonden het nodig om hobbezakachtige truien te dragen, anderen kleedden zich in nette bloezen. Ik kan me een wat wildere vergadering herinneren, in februari 1991, waarin die tegenstellingen tot uitdrukking kwamen.’ Maar desondanks werden de drie JOVD-kabinetten Rutte een succes. Van Reeuwijk: ‘Wij spreken daarom nu ook niet over Rutte 1, maar over Rutte 4.’

Al twintig jaar treft een aantal ‘bewindslieden’ uit eerste drie kabinetten elkaar jaarlijks bij een skivakantie in het Zwitserse Zermatt. ‘Mark is degene die elk jaar vraagt: “Jongens, we gaan toch wel weer, hè?” Dan zeggen wij: “Nou Mark, dat hangt meer van jouw agenda af dan van de onze.” Het lijkt voor hem een ijkpunt te zijn. Het geeft zijn hectische bestaan structuur.’ Tijdens de wintersport gelden er vaste rituelen. ‘De eerste avond gaan we in hetzelfde restaurant kaasfonduen, echt een vreselijke tent. Iedere keer weer denk je: hier komen we nooit meer. Het is een dolletje, maar tegelijkertijd traditie. Iedereen komt op eigen gelegenheid: sommigen vliegen, anderen komen met de auto. Dan weet je: op zaterdagavond zeven uur zit iedereen in restaurant Du Pont. Mark houdt daar heilig aan vast.’

Daarom gaat Van Reeuwijk er vanuit dat Rutte er ook als premier tijd voor blijft vrijmaken. ‘Toen hij nog staats was, is hij wel op en neer gevlogen vanwege Kamervragen. Dan vertrok hij maandag na de lunch en schoof op woensdagochtend weer voor het ontbijt aan, alsof hij niet was weggeweest.’ Voor alle duidelijkheid: ‘Dat betaalt hij zelf. Gewoon KLM, tweede klas. Maar we hebben daarna wel voorgesteld om voortaan tijdens het Kamerreces te gaan.’

Groenveld: ‘Hij is een sociale man, en is dat gelukkig gebleven. We hebben nog altijd intensief contact. Als ik hem hebben wil, bijvoorbeeld voor een boekpresentatie, dan kan ik hem krijgen.’ Schox: ‘Hij is een ongelooflijk trouwe vriend. In 2002 stierf mijn echtgenote, Mark werkte toen nog bij Unilever. Bij de uitvaart was hij een belangrijke steun. De volgende ochtend hoorde ik op de radio dat hij staatssecretaris van Sociale Zaken was geworden. Terwijl er de hele dag nog koortsachtig moet zijn overlegd, was hij er voor mij. Dat hij dat liet prevaleren, tekent zijn instelling.’


Het ‘Leidse’ kabinet Rutte 1


Mark Rutte (1967), minister-president, studeerde geschiedenis (1985-1992)

Maxime Verhagen (1956), vice-premier en minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, studeerde geschiedenis (1975-1986), lid van Minerva en Njord, van de ministers in Rutte 1 de enige ‘Leidse’ CDA’er

Ivo Opstelten (1944), minister van Veiligheid en Justitie, studeerde rechten (1963-1969; ‘Ik deed niet meer dan nodig was’, zei hij daarover vijf jaar geleden in Mare), lid bij Minerva, oud-burgemeester van Utrecht en Rotterdam.

Melanie Schultz van Haegen (1970), minister van Infrastructuur en Milieu, studeerde bestuurskunde (1988-1994), lid bij Minerva, oud-wethouder in Leiden en voormalig staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

Edith Schippers (1964), minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, studeerde politicologie (1985-1991), onderhandelde samen met Rutte tijdens de formatie, maar kent hem pas van na hun Leidse studententijd

Uri Rosenthal (1945), minister van Buitenlandse Zaken, Leids hoogleraar bestuurskunde en voorzitter van het COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement, was voorheen VVD-senator en trad op als informateur

Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook