Mare Nummer 22     04 maart 2010

22
Prins Willem-Alexander (links) kijkt met vrienden naar de Raprace, september 1991.
FOTO: Marc de Haan
De studie in de stad die hij niet wilde
Prins Willem-Alexander was het Leidse studentenleven al bij voorbaat ontgroeid

Hij had minder met het studentenleven dan zijn bijnaam ‘prins pils’ deed vermoeden, blijkt uit een nieuwe biografie van prins Willem-Alexander. ‘Mij werd verteld hoe de wereld in elkaar zit door mensen die niet meer hadden gezien dan hun ouderlijk huis, middelbare school en hockeyclub.’

DOOR FRANK PROVOOST Toen prins Willem-Alexander bijna achttien jaar was, wist hij drie dingen zeker.

1. Hij ging niet naar Leiden.

2. Hij ging geen rechtenstudie doen.

3. Hij ging geen lid worden bij het corps.

Het werd Amsterdam of Delft, vertelde hij in 1985 aan interviewer Renate Rubinstein. Het feit dat zijn moeder ‘bekakt’ praatte zou volgens de prins wel eens door haar Leidse tijd kunnen komen. En rechtsgeleerdheid mocht dan misschien de geijkte studiekeuze voor een toekomstig staatshoofd zijn, daar had hij maling aan. ‘Als ze rechten verwachten, zou ik bij wijze van spreken natuurkunde kiezen, alleen om te laten zien dat ze het niet bij het rechte eind hebben.’

Twee jaar later woonde Willem-Alexander in Leiden. Hij werd lid van Minerva, lichting ‘Prutsers’, jaarclub Letharg. En oké, hij studeerde dan weliswaar geschiedenis, maar een groot gedeelte van zijn curriculum bestond uit juridische vakken.

De rebellie was vergeefs geweest, schrijven Jan Hoedeman en Remco Meijer in hun vorige week verschenen biografie Willem IV, Van prins tot koning. De verslaggevers van de Volkskrant kregen de prins niet zelf te spreken maar mochten van hem wel betrokkenen uit zijn omgeving benaderen, met uitzondering van familieleden voor wie ministeriële verantwoordelijkheid geldt. ‘Met deze “verklaring van geen bezwaar” zijn voor ons sindsdien deuren opengegaan die daarvoor altijd gesloten waren gebleven’, aldus de auteurs. ‘Alleen de meest intieme vrienden hielden, ondanks deze formule, de boot af.’

Die laatste opmerking lijkt vooral te slaan op Leidse leeftijdsgenoten. Zij komen jammer genoeg niet aan het woord. Zijn intiemste vriendenkring, de zogeheten mosselmannen, bleek een ‘ondoordringbare ring’ die haar naam dankt aan de mosselen die bij gezamenlijke etentjes meestal op het menu staan. En ‘dat de mossel nog een andere, bargoense betekenis heeft, wordt in dit mannengezelschap met liefde op de koop toe genomen’.

Wat overblijft, is het verhaal van een student die dat op sommige momenten niet wilde zijn. Hij ging wel in een studentenhuis wonen. Met drie huisgenoten trok hij in op Rapenburg 116 - de beveiliging op de begane grond niet meegerekend. In de tuin hield hij kippen en een kraaiende haan, waarover de buren (de bewoonster van het Minerva-meisjeshuis Het Kippenhok) regelmatig klaagden.

Eigenaar en chirurg Frits Rijksen had het al eigenaardig gevonden toen er bij de bezichtiging twee mannen kwamen kijken. ‘Het was overduidelijk geen homostel.’ Het duo vroeg ook om foto’s, want ‘moeders wil graag foto’s van het huis zien’. Pas toen bij de tweede bezichtiging de prins verscheen, begreep Rijksen die opmerking. Willem-Alexander vond het pand prachtig. Eenmaal in de kelder vroeg hij: ‘Gaat er hiervandaan ook een pijplijntje naar Zoeterwoude?’ Voor wie dat niet snapt: daar is de brouwerij van Heineken gevestigd.

De schijnbaar onschuldige grap is tegelijkertijd veelzeggend. Want tijdens zijn Leidse jaren bouwde Willem-Alexander aan zijn ongewilde imago van ‘prins pils’. ‘Onlogisch voor een man die zoveel sport’, vindt toenmalig begeleider en hoogleraar algemene geschiedenis Henk Wesseling. Collega Jan Bank: ‘Hij was in zijn studie meer geïnteresseerd en plichtsgetrouw dan zijn tijdelijke betiteling “prins pils” doet geloven. De belangrijkste concurrent van zijn studieuze plichtsvervulling was niet de sociëteit maar de vliegerij.’ Mocht de republiek worden uitgeroepen, grapten de twee onderling, dan kon hij altijd nog piloot worden. Bank: ‘Dat vond hij geen onmogelijk vooruitzicht.’

Achter de stuurknuppel behield de prins ook zijn baldadigheid, bijvoorbeeld toen hij in 1992 met een vriend, Willem de Boer, over de paleistuin van Huis ten Bosch vloog, dat uitdrukkelijk gold als verboden vlieggebied. De Boer: ‘Ik zeg niet hoe laag hij vloog, maar later hoorde ik dat zijn moeder er niet blij mee was.’

De twee kenden elkaar van de marine, waar de prins diende voordat hij ging studeren. Het ‘was echt noodzakelijk voor mij om even goed aangepakt te worden’, zei de prins over die tijd. Als hij meteen aan een studie was begonnen, was het ‘echt hopeloos fout’ gegaan. Dat hij zijn ontgroening al bij de marine had gehad, zorgde ervoor dat hij zich op de vereniging minder op zijn gemak voelde. Andersom liepen leden die zich te nadrukkelijk met hem bemoeiden het gevaar voor ‘hofnar’ te worden uitgemaakt.

‘Die mensen die de studentenvereniging verheffen tot iets zaligmakends - dat is een klein groepje mensen die heel beperkt denken - geven de vereniging een slechte naam’, zei Willem-Alexander in 1995. ‘Tegen hen heb ik me ook afgezet. Na twee jaar Engeland en na twee jaar in de marine over de hele wereld gevaren te hebben, werd mij verteld hoe de wereld in elkaar zit door een paar mensen die niet meer hadden gezien dan hun ouderlijk huis, de middelbare school en een hockeyclub. Eerst probeerde ik nog wel een discussie met hen aan te gaan. Maar dat had eindelijk geen zin. Ze zaten een jaar langer dan ik bij de vereniging en hadden op grond daarvan gelijk. Op een gegeven moment word je dan wijzer en zeg je: laat ze maar.’

Om dezelfde reden had hij moeite met het eerste jaar bij geschienis, waarin hij net als zijn medestudenten hoor- en werkcolleges volgde. Hij vond de studie te schools. Later zou hij vooral privécolleges krijgen. ‘Het studentenleven is voor sommige mensen iets wat bij een jongere fase in je leven hoort’, zei koningin Beatrix in 1991 over haar zoon die daaraan ‘iets minder enthousiast’ deelnam. ‘Als je je daar een beetje uitgegroeid voelt, ligt dat gewoon weer anders.’

Met verenigingsgenoten zat hij in De Bende van Twaalf: samen met dominee Carel ter Linden spraken ze elke vier weken over het geloof. ‘Er was een godsdienstige atmosfeer en een vanzelfsprekende omgang met de Bijbelse verhalen’, zegt kunsthistoricus Henk van Os die werd uitgenodigd als spreker. ‘Ik vind dat heel mooi, vooral als je bedenkt dat het idee ervoor is geboren tijdens een avondje zuipen op Minerva. Zo van: we zitten hier nou wel te drinken, maar er is meer in het leven.’

Toch bleef het beeld van de losbol bestaan. Zeker toen de Willem-Alexander op 21 mei 1988, een dag na het Dame Blanche - het Minerva-gala waarop iedereen, ook zijn twee bewakers, in het wit moet verschijnen - met zijn auto uit de bocht vloog. Op de Plesmanlaan waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur gold, had hij 65 gereden. Hij belandde in de sloot, die door omwonenden werd omgedoopt tot Prins Willem-Alexander-kanaal.

Na zijn afstuderen in 1993 werd het werd hoog tijd om met dat imago af te rekenen. Uiteindelijk zou hij de stad die hij als tiener zo verafschuwde pas in 1995, twee jaar na het voltooien van zijn studie, verlaten. ‘Ik kom nog regelmatig in Leiden en rij dan meestal even een kleine ereronde over het Rapenburg’, schreef hij aan Rijksen, die na de nodige onderhandelingen zijn oude huis kon terugkopen. ‘Hoewel er constant wat verandert, blijft 116 als een monument staan en ik kijk er altijd met positieve heimwee naar en denk terug aan die mooie tijd.’


Het raadsel van de ‘geheime’ scriptie

Prins Willem-Alexander voltooide zijn studie geschiedenis op 2 juli 1993. Zijn scriptie, De Nederlandse reactie op de beslissing van generaal De Gaulle om uit de organisatie van de NAVO te treden; telde zestig pagina’s en werd beloond met een acht. Dat de scriptie zelf niet openbaar werd gemaakt, leidde tot commotie, net zoals het besluit van de opleiding om tentamenuitslagen van de prins niet op het prikbord te hangen.

Scriptiebegeleider Henk Wesseling: ‘Ik heb in de loop der jaren honderden scripties begeleid en daarna in een kast bewaard, waarvoor nooit enige belangstelling is getoond. Was dat wel gebeurd, dan had ik de student geïnformeerd en het besluit over het wel of geen inzage aan betrokkene overgelaten. Zo is het ook bij de prins gegaan. Het is zijn beslissing om de inhoud van zijn scriptie voor zichzelf te houden.’

Bij de presentatie van Willem IV, Van prins tot koning kwam Wesseling terug op ‘het merkwaardige geval van de geheimgehouden scriptie’, zoals hij de afgelopen jaren in vele brieven deed. Ook Ronald Plasterk kreeg ooit zo’n brief, toen hij in zijn column voor de Volkskrant schreef over een gelopen marathon. ‘Mijn eindtijd is net zo geheim als de studieresultaten van leden van het Koninklijk Huis.’

Wesselings eerdere uitspraak dat de prins ‘intelligent’ maar ‘beslist geen intellectueel’ zou zijn, noemde hij bij de boekpresentatie ‘een wel zeer oude koe’. ‘Als er onder de Nederlandse veestapel één dier is dat hoognodig moet worden geruimd dan is het wel dit bejaarde en kreupele zoogdier.’ Hij zou destijds met ‘intellectueel’ iemand hebben bedoeld die zich in het publieke debat mengt. Daar kan bij de prins geen sprake van zijn.


Jan Hoedeman en Remco Meijer: Willem IV, Van prins tot koning. Uitgeverij Atlas, 368 pgs. € 24,90


Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook