Mare Nummer 18     28 januari 2009

18
Albert Einstein 14 maart 1879 – 18 april 1955
FOTO:
Geen handvol genieën
Wetenschappelijke ontdekkingen zijn het resultaat van een langdurige collectieve inspanning

Frans van Lunteren, die vrijdag zijn oratie houdt bijzonder hoogleraar wetenschapsgeschiedenis, hoopt dat de Leidse wetenschapshistorici minder versnipperd gaan opereren.

DOOR ARJEN VAN VEELEN Prozac en Xeroxat waren in de jaren negentig wonderpillen. Het zou in tachtig procent van de gevallen werken tegen depressies. ‘Hele dorpen in de Verenigde Staten kregen het voorgeschreven’, weet Frans van Lunteren, wetenschapshistoricus. ‘Er werd meer aan verdiend dan aan welk medicijn dan ook. Tot vorig jaar dan eindelijk in de krant kwam dat het een grote hype was. De pillen werken bij gangbare depressies nauwelijks beter dan een placebo.’

De les van de affaire: ook wetenschap is vatbaar voor hypes.

Sinds de jaren zeventig hebben historici meer oog voor de sociale context waarin wetenschappers hun ontdekkingen deden. Ook Van Lunteren ziet de grote geesten van de geschiedenis als kinderen van hun tijd. ‘Wetenschappers ervaren niet de hele dag Eureka-momenten en bewegen zich niet louter in een sfeer van Platoonse ideeën.’

Hij geeft Darwin als voorbeeld. Die liet zich inspireren door de ervaringen van negentiende-eeuwse dierenveredelaars en fokkers. Hij borduurde voort op de demografische inzichten van Thomas Malthus, die een overlevingsstrijd voorspelde als een bevolking de kans krijgt onbelemmerd te groeien; en op de arbeidsverdeling in de opkomende industrie. Zijn theorie was niet mogelijk geweest in de achttiende eeuw, maar was in een aantal opzichten tijd en plaatsgebonden.

Twee wensen heeft de nieuwe hoogleraar. Dat zijn keuzevak over de geschiedenis van de natuurwetenschap universiteitsbreed wordt gegeven. En dat de vele wetenschapshistorici die Leiden telt minder versnipperd gaan opereren.

Van Lunteren is natuurkundige van opleiding. Hij heeft ook een aanstelling bij de VU. In Leiden is hij aangesteld als Teylers-hoogleraar. Hij heeft een kamer bij de sterrenkundigen. Komend jaar begeleidt hij negen promovendi. Eentje doet onderzoek naar de geschiedenis van de radio-astronomie in Nederland. Nederland was en is sinds de Tweede Wereldoorlog koploper op dat gebied. Dat komt deels omdat de sterrenkundegrootheid Oort de overheid had overgehaald flink te investeren. Een andere promovendus doet onderzoek naar het tragische leven van Paul Ehrenfest. Een verdienstelijk natuurkundige, een voortreffelijk docent en één van de grondleggers van de moderne quantumfysica. Maar hij leefde in de schaduw van nog briljantere natuurkundigen als Einstein. En daar leed hij onder. Het liefst wilde hij overgeplaatst worden naar universiteiten in Rusland of de VS, waar de natuurkunde nog in de kinderschoenen stond. Daar zou hij tenminste nog iets zou kunnen toevoegen. Toen dat niet lukte pleegde hij uiteindelijk zelfmoord.

Zelf doet Van Lunteren onderzoek naar de meter. Eind achttiende eeuw belegde Frankrijk een internationaal wetenschappelijk congres om een nieuw metriek stelsel vast te leggen. Dat was een poppenkast, want alleen vazalstaten van Frankrijk – zoals de Bataafse republiek – waren uitgenodigd. Frankrijk wilde een lengtemaat die op de natuur zelf was gebaseerd. De afspraak was dat de ‘meter’ één veertigste miljoen van de omtrek van de aarde zou worden. Om die nauwkeurig te bepalen, werd de afstand tussen Duinkerken en Barcelona gemeten.

Het zou zeven jaar duren. Via oriëntatiepunten als torenspitsen en bergtoppen werd Frankrijk bedekt met een net van driehoeken. De hoeken werden gemeten met een nieuw instrument, de repetitiecirkel van Borda. Een basislijntje werd met de hand opgemeten. Vervolgens kon de afstand tussen Barcelona en Duinkerken worden berekend. Sterrenkundige metingen in beide plaatsen bepaalden de precieze breedtegraad. Ervan uitgaande dat de aarde een perfecte ellips is, kon vervolgens de omtrek van de aarde worden berekend – wat dan weer gedeeld moest worden door veertig miljoen.

Wetenschappelijk gezien was het project een mislukking. De vorm van de aarde bleek te grillig voor extrapolatie. Toch werkte de retoriek van een op de natuur zelf gebaseerde maat in combinatie met de omvang van het project en de schijn van een internationale conferentie: uiteindelijk namen alle landen - behalve Myanmar, Liberia en de Verenigde Staten - het stelsel over.

Van Lunteren vindt dat standaardisatieproces interessant omdat er zowel wetenschappelijke als economische belangen spelen én vanwege de rol van Nederland, dat in 1875 weigerde de metrieke conventie te ondertekenen. De Nederlandse vertegenwoordiger Johannes Bosscha vond het nieuwe instituut onnodig en zelfs schadelijk. Overheidsbemoeienis met wetenschappelijk onderzoek leidde in zijn ogen tot monopolisme en bureaucratie. ‘Hij zou in de hedendaagse managementcultuur waarmee het wetenschappelijke bedrijf omgeven is zijn gelijk vermoedelijk bevestigd zien.’

De historicus ziet het als zijn taak om de horizon van studenten te verbreden. ‘In de leerboeken wordt de Stand der Forschung als een tijdloze waarheid gepresenteerd, terwijl de geschiedenis leert dat wetenschappelijke kennis vaak niet meer is dan een momentopname.’

Een ander populair misverstand dat hij wil wegnemen is dat van de ontdekking. Een ontdekking is zelden terug te voeren op één persoon en één moment. Ontdekkingen zijn vaak het resultaat van een langdurige collectieve inspanning. Dat kan inspirerend zijn voor studenten, vindt Van Lunteren. Want het beeld dat de wetenschap uiteindelijk bepaald wordt door een handvol uitzonderlijke genieën schrikt mensen nodeloos af.


Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook