Geen uitleg over hoge tarieven

Kosten voor tweede studie blijven nog onduidelijk
3 December 2014

Acht universiteiten, waaronder die van Leiden, zijn naar de Hoge Raad gestapt. Afgelopen zomer oordeelde het Amsterdamse gerechtshof namelijk dat de hoogte van hun instellingscollegegeld inhoudelijk getoetst moet worden. Tegen die uitspraak gaan de universiteiten in cassatie.

Voor een tweede bachelor of master rekenen veel universiteiten sinds collegejaar 2011-2012 een veel hoger tarief dan het wettelijk collegegeld van 1906 euro: het instellingscollegegeld. Studenten die het daarmee oneens waren, of die in elk geval vonden dat universiteiten moeten aantonen dat dat hoge bedrag in verhouding staat tot de werkelijke kosten, verenigden zich destijds in de Stichting Collectieve Actie Universiteiten (SCAU). Ze begonnen een rechtszaak.

‘In eerste instantie had de rechtbank eigenlijk besloten om als burgerlijk rechter niet inhoudelijk over het collegegeld te oordelen’, verduidelijkt Maarten Kalwiek, advocaat van SCAU. ‘Na het hoger beroep besloot de rechter afgelopen zomer dat het collegegeld wél langs de juridische meetlat gelegd moest worden. Het ligt voor de hand om zo’n inhoudelijk debat en onderzoek niet uit de weg te gaan, maar de universiteiten zijn toch naar de Hoge Raad gestapt.’

Universiteiten vinden namelijk dat niet de burgerlijk rechter, maar het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs over de kwestie mag oordelen. Daar kunnen aankomende studenten echter niet terecht. Bovendien is het voor universiteiten erg lastig om het collegegeld volledig te specificeren. ‘Er zit zó veel in het collegegeld, van het salaris van docenten tot het schoolbord, dat het ondoenlijk is om uit te rekenen’, weet Bastiaan Verweij van de VSNU.

Volgens SCAU laat zo’n uitspraak van de Hoge Raad nog minstens een jaar op zich wachten. ‘Als de universiteiten niet in cassatie waren gegaan, zaten we nu al te wachten op de uitkomst van het inhoudelijke onderzoek’, zegt Kalwiek.

MvW

Deel dit bericht: