Column: Eerste hulp bij archiefbezoek

Zoals een scheikundige het laboratorium induikt, zo heeft de historicus het archief. In plaats van erlenmeyers en witte jassen, zijn er loodveters en stoffen handschoentjes. De regels en veiligheidsvoorschriften zijn bijna even streng. Een groot verschil is wel, dat waar de gemiddelde laborant scheikundigen vooral ten dienste is, de gemiddelde archivaris historici juist argwanend tegemoet treedt.
Het is immers zijn primaire taak om de paperassen te beschermen: tegen de elementen en de tand des tijds allereerst, met zuurvrije archiefmappen, klimaatbeheersing en brandkasten. Maar ook tegen grijpgrage vingertjes die met plezier een mooie prent uit een boek snijden of een historische brief het gebouw uit smokkelen. Noodzakelijkerwijs houdt een archivaris zichzelf voor de gek. Elke gestelde termijn – of het nu 10, 100 of 1000 jaar zijn – is te kort. Tegen beter weten in, ambieert hij niets minder dan conservatie tot in de eeuwigheid.
Pas na die fundamentele worsteling met de tijd komt de dienstverlening aan de reguliere archiefbezoekers. Veelal zijn dat hulpeloos ronddolende gepensioneerden, die een nieuw levensdoel hebben gevonden in de genealogie. Deze geriatrische detectives kunnen pas vredig sterven als zij de balans hebben opgemaakt van hun familielijn, en weten in welke stamboom zij nu precies een plaatsje in zullen nemen.
En dan moet de archivaris ook nog omgaan met die vervelende historici, met hun vette vingers, hun ongecontroleerde gegraaf in de archiefdoos, hun rare wensen. Kopiëren? – Uitgesloten. Scannen? – Onder geen beding. Foto’s maken? – Nou, vooruit: alleen van archieven ouder dan 90 jaar en na het invullen van dit formulier in viervoud. En geen flits!
Een belangrijke les van de geschiedenisopleiding leert een historicus niet in de collegebankjes, maar in de praktijk: hoe om te gaan met archivarissen. Het Regionaal Archief Leiden (een merkwaardig bouwsel op de Boisotkade) is een goed oefenterrein. Het personeel doet weliswaar streng, maar de medewerkers ouwehoeren er in plat Leids over je hoofd heen op los en blijken in de praktijk erg toeschietelijk.
Heftiger ondervond ik het tijdens mijn archiefonderzoek in Parijs. Met name de ambtenaren van de Archives Nationales zetten alles op alles om het archiefbezoek zo stroperig mogelijk te laten verlopen. Wie binnen een uur zijn bezoekerspas heeft geregeld, vestigt een record. Formulieren, kwitanties, getuigschriften – de Franse bureaucraat smult ervan.
En dan de leeszaal. Controle aan de deur. De ‘Président de la Salle’ is heer en meester. Een look-a-like van Angela Merkel stapt als een havik door de zaal of zit achter haar panoptisch opgestelde bureau. Boven elke rij leestafels hangt een bestuurbare camera, waarmee de controlekamer inzoomt op de bezoekers. Maak je foto’s zonder zichtbare vergunning op tafel, dan hoort een zaalwacht dat via zijn oortje en staat binnen tien tellen achter je.
Kortom, het tegenwerken van historici lijkt eerste prioriteit, en een archiefbezoek zonder (wederzijdse) ergernis is zeldzaam. In Parijs helpt het daarbij niet dat de ambtenaren van de Franse heilstaat een zó gunstige cao hebben, dat zij tot aan hun vroegpensioen op hun plek zijn verankerd. Zij hebben er geen enkel belang bij zich vriendelijk of behulpzaam op te stellen. Bovendien maakt hun gewoonte copieus te lunchen het onmogelijk om stukken aan te vragen tussen 12 en 14 uur. Dat is lang, als je bedenkt dat het archief pas opent om 9.30 en alweer sluit om 16.45 uur. Tot overmaat van ramp hebben archiefstukken een aanlevertijd van minstens een half uur.
Wat een historicus in de praktijk leert, in dat eigen laboratorium, is dus onbetaalbaar: geduld, nederigheid, een stalen glimlach en vooral het vermogen om vieze woorden in te slikken.

Geerten Waling
doceert en promoveert bij geschiedenis

Deel dit bericht: