Hoe herkennen zij elkaar?

Vogels zetten onderzoekers vaak op het verkeerde been

Zeekoeten kunnen elkaar vanaf bijzonder grote afstand herkennen.

Door Bart Braun

Hoe is het om een vogel te zijn? Tim Birkhead, die vrijdag de Tinbergenlezing geeft, weidde zijn complete onderzoekscarrière aan die vraag. ‘Wie denkt er bij genezing van Alzheimer aan studies naar vogelzang?’

‘Stel je voor dat iemand je een kom melk met muesli geeft, waarin hij een handje kleine steentjes heeft gegooid’, schrijft Tim Birkhead in zijn meest recente boek Bird Sense. ‘Hoe goed zou je er dan in slagen om alleen de eetbare stukjes op te eten? Ik vermoed ronduit beroerd. Toch is dat precies wat eenden doen.’
Birkhead (1950) is hoogleraar zoölogie aan de Universiteit van Sheffield, en een scherp waarnemer. Tijdens zijn promotieonderzoek naar zeekoeten zag hij ooit hoe de zeekoet in het nest vlak voor zijn neus ineens een ‘groet-geluid’ maakte, dat ze normaal alleen gebruiken voor hun partner. Maar nergens was een partner te zien. Iets later verscheen er een klein stipje in de lucht, en nog iets later landde inderdaad de partner van de vogel naast het nest.
Zeekoeten zien een compleet andere wereld dan mensen, met hun blijkbaar superscherpe ogen. Zelfs voor Birkhead, die een aanzienlijk gedeelte van zijn volwassen leven heeft besteed aan het begluren van de beesten, zien twee zeekoeten er nog hetzelfde uit.
Zijn boek staat vol met voorbeelden waaruit blijkt dat vogels heel anders waarnemen dan mensen. Veel soorten zien in het ultraviolet, met als gevolg dat in onze ogen de mannetjes en de vrouwtjes er precies hetzelfde uitzien, maar zeker niet in de ogen van die mannetjes of vrouwtjes. Doodgewone roodborstjes zien het aardmagnetisch veld – maar alleen met hun rechteroog. Als je het afplakt, of zelfs maar vertroebelt, lukt het ze niet meer.
Flamingo’s weten – al is nog onduidelijk hoe – dat het in de binnenlanden honderd kilometer verderop genoeg heeft geregend om daar te kunnen paren. De Zuid-Amerikaanse vetvogel – die zo heet omdat de kuikentjes vroeger werden opgekookt om hun vet te winnen – navigeert door donkere grotten met behulp van de echo’s van zijn kreten. Net als een vleermuis, alleen dan met hoorbare geluiden.
En die eenden? Die vissen zonder zelfs maar te kijken eetbare plantendelen en schelpdiertjes uit de modder, met behulp van hun extreem gevoelige snavel. Er zitten ook smaakpapillen in het puntje van een eendenbek, maar niet op de eendentong, ontdekte de Leidse bioloog Herman Berkhoudt in de jaren ’70.
Zelfs de meest alledaagse vogels als de eendjes in het park en de roodborstjes in de tuin hebben een belevingswereld die biologen versteld doet staan. ‘Je zou dit niet kunnen verzinnen’, verzuchtte een collega van Birkhead toen het onderzoek naar de roodborstjes uitkwam. Veel uitkomsten van vogelonderzoek zijn extra verbazingwekkend omdat de mensen die de vogels bestuderen allemaal ideeën in hun hoofd hebben over wat vogels wel en niet kunnen.
Een gênant voorbeeld uit zijn boek: de Amerikaanse kalkoengier (Cathartes aura). Het was al een tijdje bekend dat kalkoengieren verdacht snel bij een dierenkarkas zaten om ervan te kunnen eten. Roken ze de dierenlijken? De wetenschap was er in de negentiende eeuw nog van overtuigd dat vogels niet konden ruiken.
Dat was mede te danken aan de Haïtiaanse ornitholoog John James Audubon. Die was er heilig van overtuigd dat een beest dat al scherpe ogen had, niet ook nog eens goed kon ruiken. Hij verstopte rottende dierenlijken in de woestijn, en stelde vast dat daar nooit een gier op afkwam als ze niet zichtbaar waren vanuit de lucht.
Wie echter geduldig een kalkoengierenkop ontleedt, kan echter zien dat er wel degelijk een goed ontwikkeld reukorgaan in zit. Audubons rottende lijken waren al te ver heen: kalkoengieren gaan juist voor de geur van een vers gestorven dier. Het leek er bovendien op dat hij de kalkoengier en de nauw verwante zwarte gier (Coragyps atratus) door elkaar had gehaald.
Foute aannames en slecht uitgevoerde proeven hebben het onderzoek naar vogels regelmatig op het verkeerde been gezet, laat Birkhead zien. Komende vrijdag geeft hij de prestigieuze Tinbergenlezing, vernoemd naar de Nobelprijswinnaar en Leidse bioloog Niko Tinbergen (1907-1988). In de lezing zal Birkhead verder ingaan op paradigma’s – de stelsels van theorieën en modellen – binnen de gedragswetenschappen. ‘Omgekeerd bracht het concept van gedragsecologie, dat voortkwam uit Tinbergens werk, het vakgebied juist verder’, mailt de hoogleraar.
Birkhead: ‘De grootste uitdaging waar vogelonderzoekers nu voor staan is of vogels gevoelens ervaren op een vergelijkbare manier als wijzelf. Tinbergen was er in de jaren ’50 heel duidelijk in dat onderzoek naar gevoelens niets was voor ethologen. De vragen zijn te moeilijk, en het risico dat je je onderzoeksdieren vermenselijkt is te groot. Nu zijn de gedragswetenschappen echter stukken verder; ze zijn nu rijp en zelfverzekerd genoeg om het antwoord op dat soort vragen te gaan zoeken.’
Hoewel wetenschappers zichzelf vaak voor de voeten lopen, wordt er wel degelijk vooruitgang geboekt. Dat is belangrijk als je kennis over vogels belangrijk vindt, maar ook als je bedreigde vogels wilt beschermen, of beter wilt omgaan met vogels in gevangenschap.
Maar vogelonderzoek hoeft niet alleen nuttig te zijn voor vogels, vindt Birkhead. ‘Het laat zich moeilijk voorspellen welk wetenschappelijk onderzoek “nuttig” zal zijn doordat het welvaarts- of gezondheidswinst oplevert. In de jaren ’70 liet onderzoek naar hoe vogels leren zingen volkomen onverwacht zien dat vogelhersens elke zomer en winter veranderen. Het bleek ook dat ze hun zenuwcellen daarbij laten teruggroeien – iets waarvan toen werd gedacht dat het onmogelijk was. Hersen- of ruggenmergschade bij mensen werd ongeneeslijk geacht.
‘De ontdekking dat vogels hun zenuwcellen kunnen laten aangroeien, heeft het hele veld van de neurobiologie veranderd en een hoop nieuw onderzoek gestimuleerd. Als we kunnen uitpluizen hoe vogels dat doen, dan kunnen we wellicht een geneeswijze vinden voor hersenbeschadiging of dementie.
‘Als een subsidieverstrekker of overheid had besloten om onderzoek te betalen naar de genezing van Alzheimer, zouden ze dan aan studies naar vogelzang gedacht hebben? Welk beter argument kun je bedenken om goede onderzoekers te laten datgene te laten doen waarin ze geïnteresseerd zijn?’

Tim Birkhead, The Study of Behaviour: Paradigms and Progress
Tinbergenlezing, Gorlaeusgebouw, vrijdag 11 mei, 19 u,
toegang gratis na aanmelding hier

Deel dit bericht: