Column: Subsidieer ik het milieu of mijzelf

583 euro. Zoveel werd er vandaag op mijn rekening bijgeschreven, nadat ik mijn kilometers had gedeclareerd. Meestal neem ik de trein, maar als het uitkomt leen ik de auto van mijn ouders. Blijkt dat ik € 0,32 per gereden kilometer krijg, waardoor ik – na aftrek van benzinekosten – € 50 verdien elke keer als ik de trein laat staan.
Nietsvermoedend ben ik zo op de vroege morgen met een ethisch dilemma geconfronteerd dat zijn weerga niet kent. Ga ik voor het milieu of mijzelf?
Het is in ieder geval een mooie gelegenheid om wat te schrijven over het fascinerende fenomeen ‘perverse prikkels’. Bijvoorbeeld: wij willen graag af van fossiele brandstoffen. Dat doen we door subsidies te verstrekken aan mensen die een zonnepaneel op hun dak zetten. In een onlangs verschenen rapport berekent het International Energy Agency dat duurzame energie wereldwijd voor ongeveer 66 miljard dollar wordt gesubsidieerd. Tegelijkertijd subsidiëren wij fossiele brandstoffen voor 280 miljard. Dit bizar hoge bedrag is dan ook nog een lage schatting. Als je googlet, kom je vaker bedragen van rond de 600 miljard tegen. Als ik daarvan niet zelf net €583 had gekregen was ik verontwaardigd geweest.
Natuurlijk is er geen politicus die graag een zak geld aan Shell geeft, en op benzine zit juist een dikke belasting. Dus wat moet je je dan voorstellen bij fossiele subsidies? Mijn eigen €583 telt eigenlijk niet. Immers, het geld dat ik overhoud, zou ik eigenlijk moeten gebruiken voor de afschrijving en het onderhoud van de auto.
Maar collega’s met leaseauto’s hebben wel degelijk een echte perverse prikkel te pakken. Zij rijden ook privé op kosten van de zaak. Iemand vertelde dat ze liever met de trein naar haar ouders gaat. Maar als ze samen met haar vriend de leaseauto neemt, scheelt dit €60 aan treinkaartjes.
Een subtieler voorbeeld van hoe fossiel wordt bevoordeeld blijkt uit de financiering van nieuwe projecten. Banken zien duurzame energie als een relatief risicovolle investering. Het gevolg is dat je bij de financiering van een windmolenpark 8 tot 13 procent rente betaalt, vergeleken met slechts 3,5 voor een kolencentrale.
Doordat een windmolenpark relatief duur is in aanleg komt dit extra hard aan; dat een windmolen de rest van zijn levensduur zo goed als gratis stroom levert wordt tenietgedaan door de enorme rente die je betaalt over je lening. De European Wind Energy Association laat zien dat als het rentepercentage verdubbelt de uiteindelijke prijs van elektriciteit met een derde toeneemt.
Nu zou je kunnen zeggen dat het banken hun goed recht is om fossiel minder risicovol te vinden. Maar waarom is fossiel zo risicoloos? Het komt immers voornamelijk uit uitermate risicovolle landen als Rusland, Iran en Venezuela. Het antwoord is dat onze regering veel geld uitgeeft om deze risico’s tegen te gaan. Als de Nederlandse marine bijvoorbeeld een fregat naar Somalië stuurt om olietankers te beveiligen, zijn de kosten voor de belastingbetaler, en niet voor Shell. Maar het risico dat er een vrachtschip tegen een windmolen aanvaart is voor de eigenaar van het windmolenpark.
Nog mooier wordt het bij kerncentrales. Die zouden überhaupt niet te betalen zijn als risico’s zoals Fukushima werden meegenomen. Maar omdat overheden dit soort rampen gratis verzekeren, kunnen ook kerncentrales goedkoop worden gefinancierd. Niet dat hier iets mis mee is, zolang we ons maar realiseren dat het een verkapte vorm van subsidie is. Als de risico’s van fossiele en kernenergie op gelijke manier vergeleken wordt met windenergie (en de daarmee geassocieerde rente) blijkt dat die laatste juist de goedkoopste optie is.
Conclusie: het zijn niet windmolens, maar leaseauto’s die op subsidie draaien.


Benjamin Sprecher is promovendus bij het Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden

Deel dit bericht: