Monsters en metalheads

Door Frank Provoost

Phil Towle behoort tot de grootste losers uit de rockgeschiedenis. Niet vanwege zijn muzikaliteit, want daarover is eigenlijk niets bekend. Towle maakt geen muziek, maar is zelfbenoemd performance enhancement coach. In die hoedanigheid ‘hielp’ hij onder meer de Amerikaanse rockband Metallica in een heftige midlifecrisis (drank, drugs, dode en ontslagen bandleden) dichter tot elkaar te komen.
De genante worstelingen van band en zielenknijper zijn prachtig vastgelegd in de documentaire Some Kind of Monster (2004). Het is verplichte kost voor alle eerstejaars psychologie (en vooruit, vanwege de metalmacho’s ook antropologie). Wie de film heeft gezien – hij staat in zijn geheel op YouTube – kan Metallica nooit meer serieus nemen, en performance enhancement coaches al helemaal niet.
Absoluut hoogtepunt is de scène waarin de band zichzelf na twee jaar van slopende conflicten, therapeutische huilbuien en kansloze praatsessies genezen verklaart. Op dat moment begint Towle – ingehuurd voor veertigduizend dollar per maand – zelf voor het eerst te sputteren. Ze zijn nog lang niet klaar! Het echte werk begint juist! Uitgerekend nu moeten ze doorpakken! Uiteindelijk druipt hij af. Niet boos, zoals dat heet in zijn hulpverlenersjargon, maar verdrietig.

Van Phil Towle naar Halbe Zijlstra: het lijkt misschien een giant leap, maar het is een small step. Niet omdat Metallica’s Black Album toevallig de favoriet plaat van de bewindsman is (…terwijl iedereen weet dat Kill ’Em All veel beter is, doch dat terzijde). Maar wel omdat de staatssecretaris nog steeds van alle kanten uitstraalt op het verkeerde ministerie te zijn beland. Verdwaald in cultuur en wetenschap, zoals een neppsychotherapeut in een rockstudio.
Zijn ambtenaren penden een strategische agenda bij elkaar, Zijlstra leende nog wat steekwoorden uit een oud partijprogramma over zelfredzaamheid zonder subsidie maar vol innovatie en vernieuwing. En dat er geen betutteling (lees: geld) nodig is om de allerbesten te laten winnen. Samengevat: allemaal inleveren en voortaan beter je best doen.
Maar, wist zelfs Zijlstra: wetenschappers zijn soms net metalheads. Die moet je tijdens het uitknijpen ook belonen. Vorige week was het zover. Toen verscheen de zoveelste universitaire ranglijst, dit keer van Times Higher Education Supplement. Daarop bleken de Nederlandse universiteiten opeens een stuk hoger te staan, Leiden ging bijvoorbeeld van 124 naar 79.
Nu weet iedere kenner: rankings vergelijken appels met peren en dienen vooral om de pr-campagnes van opklimmende middenmotors extra te laten ronken. Maar dit keer werd de stijging ook nog eens veroorzaakt doordat de samenstellers (weer) andere criteria gebruikten dan vorig jaar (zie pagina 4).
Desalniettemin: de staatssecretaris sloeg aan. Als een ware knuffelcoach liet hij meteen weten ‘trots op de universiteiten’ te zijn. Het resultaat was ‘volledig verdiend’.
En – zoals dat heet in het jargon - hij pullde een Phil. ‘Andere landen zitten niet stil’, waarschuwde hij met de handelsgeest van een therapeut die zijn patiënt te veel ziet opbloeien. ‘Wij kunnen het ons dus niet veroorloven om te verslappen.’
Laten we om niet te verslappen luisteren naar Halbes helden.
‘This is the tongue that whips you down’, schreeuwen ze in hun huilfilm. ‘Some kind of monster. This monster lives.’

Deel dit bericht: