ACHTERGROND - MARE 25, 27 maart 2003

De kleine Diekstra-affaire

Mijn lakeienmoment

Hoe vervalt een hoofdredacteur tot de academische leugen? Kroniek van een geval van zelfbevuiling.

Jos Palm

De berichtgeving geurt onmiskenbaar. Zachte winden, zoals die ooit moeten zijn gelaten door Oost-Europese referendarissen, wisselen de harde, uit het onderkanaal van de baas af. Als je de berichten terugleest, voel je opnieuw de chaos in je onderbuik die je destijds dagelijks herinnerde aan het verraad dat je hoofd had gepleegd aan (jawel) de grote zaak van de academische journalistiek onafhankelijkheid.
Ter opfrissing van het geheugen, en om gelijk in de stratosfeer van het riool te komen, nog eens de gasontladingen zoals die dat jaar in de pers terechtkwamen. Eerst maar de harde, afkomstig van de ambtelijke, universitaire hoogwaardigheidsbekleders: 'Het College van Bestuur heeft verklaard publicatie gezien de hele voorgeschiedenis niet gepast te vinden', 'het ontkent de redactie tot dit besluit te hebben gedwongen', maar 'het geeft toe dat er enige druk (!) is uitgeoefend', en het 'heeft met instemming kennis genomen van het besluit van de rubriek af te zien'. De zachte winden van de op papier vrije, maar in werkelijkheid broodafhankelijke hoofdredacteur blijken al niet minder onfris: 'de hoofdredacteur zei 'dat de "tijd niet rijp" was voor de rubriek, gezien de ‘broze relatie’ tussen de universiteit en het weekblad.' En hij bestond het ook nog om daaraan toe te voegen 'dat dit voor het college bijzonder gevoelig lag' en dat hij 'in alle andere gevallen een andere beslissing had genomen'.
Waar het hier om ging? Een en ander speelde zich af in de eerste week van september 1998. Mare had toen net een nieuwe hoofdredacteur, die zijn baan voor de poorten van een honderdkoppig sollicitatiepresidium had weggesleept. De universiteit had al jaren dezelfde collegevoorzitter, die sinds kort werd bijgestaan door een pr-ayatollah, dat wel, want een beetje universiteits-chief kon er tegenwoordig niet meer alleen voor staan, dat besef was ook tot Leiden doorgedrongen. Het was, kortom, een nieuw, fris najaar, en toen gebeurde het. Terwijl hij liep te broeden op een slotzin voor zijn rede bij de opening van het academisch jaar kreeg de collegevoorzitter het jongste dagbericht. De hoofdredacteur van het universiteitsblad belde op en vertelde dat het blad met een nieuwe studentenrubriek begon, 'René weet raad' of zoiets. 'Je bedoelt de René, dat jullie hem weer mijn universiteit binnenhalen, dat nooit' riposteerde de voorzitter. 'Ik verbied het, desnoods laat ik de persen stoppen.' Vanaf dat moment was de beerput geopend en het scheen of de betrokkenen door het geborrel vanonder uit de septic tank werden verleid tot het innemen van een welhaast natuurlijke positie. De wc-bril begon te trekken. De kleine Diekstra-affaire, een soort nageboorte van de grote plagiaatkwestie, was een feit.
De afloop van de affaire is gauw verteld: de collegevoorzitter dreef zijn zin door, de hoofdredacteur en de redactie hadden het nakijken en zo ook Diekstra en de studenten die wel degelijk baat hadden kunnen hebben bij diens 'vertel het aan Mona'-rubriek die niet doorging. Maar niet de afloop doet er toe. Waar het om gaat is de weg ernaartoe, het kleine drama van de zelfbevuiling dat zich ontwikkelde.
Want wat jaren nadien nog verbaast en verontrust is de valkuil van het academische zelfbedrog, de aantrekkingskracht van de opgepoetste wc-bril, die schoon lijkt, maar nooit bacterievrij is. Het klein-opportunisme blijkt zo oud als de universiteit zelf, zoals historicus Willem Otterspeer laat zien in zijn dikke boeken over de Leidse Academie vol professoren met knikkende knieën. Maar toch, als je de academische leugen over jezelf afroept - want die hoofdredacteur was ik - is het anders, onontkoombaar.
De vraag die je een ervaring rijker zou moeten kunnen beantwoorden, is die naar de systematiek van zelfbevlekking. Want waarom werd juist jij zelfcensor? Nota bene op een plek waar de geest onbelemmerd zou moeten zijn en het vrije woord zou moeten worden gekoesterd als het hoogste goed.
Het antwoord is even eenvoudig als onthutsend. In mijn geval, heb ik later ontdekt, bleek de aantasting door het academische vlekvirus al uit dat ene telefoontje aan de collegevoorzitter. Dat was mijn lakeienmoment. Ik, bereidwillige en goedgelovige zelfbedrieger, dacht dat ik als Gentleman iets meedeelde aan de opperGentleman, maar had mezelf gemanoeuvreerd in de positie van de hond die het baasje vraagt of hij naar hem mag bijten. Ik was een van de vele vrije lakeien geworden die op de universiteit rondlopen, niet verkleed als universitair hoofddocent of als hoogleraar, maar als hoofdredacteur van het universiteitsblad.
Na het telefoontje mocht ik nog opdraven bij de collegevoorzitter, wiens gelaat was verstrakt tot dat van de puriteinse dominee uit Fanny en Alexander van Ingmar Bergman. Niet hij, maar de pr-ayatollah deed, ondertussen volume producerend, het woord ('U hebt een probleem, als ik het had was ik zo sportief om het zelf op te lossen'). Het begon te stinken en ik begon mee te ruften, tegelijkertijd probeerde ik nog lekker te ruiken. Voor de redactie, en voor de buitenwereld. 'Nu een veertje laten en straks met volle kracht ertegenaan’, sprak ik in de beslissende redactievergadering. En naar ik vrees heb ik ook nog Lenin ingebracht, 'één stap terug, twee stappen voorwaarts', aldus een van de grote marxistische klassieken gebruikend om collaboratie als verzet te verkopen. Twee dagen later las ik mijn eigen onzin in de krant: 'Je kunt natuurlijk prachtige woorden spreken over onafhankelijke journalistiek, maar dit is een uitzonderlijk geval. Dat is voor iedereen begrijpelijk.'
Het was de tekst van een gegijzelde, die hoopte met zijn zachte wind de knallende darmgassen van de gijzelnemer te bezweren. Er bestond begrip voor in de landelijke pers, die mild berichtte over Mare en de kleine Diekstra-affaire in stukken als 'de onafhankelijke krant en de harde werkelijkheid'. Dat de universiteit en zeker de universitaire pers geen oase van vrijheid was, was daar al lang bekend. Hoe groen kun je zijn in het reservaat dat academie heet?

Jos Palm was hoofdredacteur van Mare van maart 1998 tot augustus 1999. Op dit moment is hij redacteur van het VPRO-radiogramma over geschiedenis ‘OVT’ en schrijft hij boekbesprekingen voor het weekblad Vrij Nederland. Daarnaast werkt hij aan een biografie van de Achterhoekse rockband Normaal.
Hoogleraar klinische psychologie René Diekstra nam eind 1996 ontslag nadat hij door een onderzoekscommissie schuldig was bevonden aan plagiaat. Op dit moment is hij onder andere sociaal adviseur van de gemeente Rotterdam.