MARE DI LIBRI - 4 december 2003

Gedachtengoed cross-over intellectual Pim Fortuyn beschreven

Van marxist tot volksnationalist

Van 1979 tot en met1984 studeerde ik politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ik herinner mij dat ik tentamen ‘moest doen’ over een boek van Siep Stuurman, De staat in de kapitalistische maatschappij en een boek van Pim Fortuyn, De sociaal-economische politiek in Nederland 1945-1949. Het waren linkse boeken. Dat was in die periode niet ongebruikelijk aan de Universiteit van Amsterdam. Terwijl de rest van de wereld Marx had afgezworen, bleven wij ons verdiepen in het reëel bestaande en noodzakelijke socialisme. Als je dat niet wilde, dan ging je maar naar Leiden: dat was de plek voor burgerlijke politicologen.

Jouke de Vries

Mijn verbazing over de politieke opkomst van Pim Fortuyn was dan ook groot. Links was opeens rechts geworden. Het is natuurlijk eerder voorgekomen dat linkse denkers de overgang naar politiek rechts hebben gemaakt. Het bekendste voorbeeld is Mussolini die aanvankelijk redacteur was van het linkse blad Avanti en uiteindelijk de weg naar het fascisme insloeg.
In 2002 schreef ik naar aanleiding van de opkomst van Fortuyn een column in de Staatscourant ‘de kale professor’ waarin ik aangaf dat de afstand tussen links en rechts in de politiek minder groot is dan velen veronderstellen. Bas Eenhoorn, de partijvoorzitter van de VVD, maakte de vergelijking tussen Fortuyn en Mussolini meer expliciet. Jan Blokker van de Volkskrant deed het nog eens dunnetjes over. Later, door de moord op Fortuyn en de discussie over de demonisering rond zijn persoon, vonden velen de vergelijking tussen Fortuyn en Il Duce ongepast. Dat was het op dat moment ook, omdat verschillende beladen namen uit het verleden in de politieke strijd tegen Fortuyn in stelling werden gebracht.
De socioloog Dick Pels heeft in het kader van de nationale Pim-verwerking een boek geschreven waarin de vergelijking tussen Fortuyn en Mussolini weer een belangrijke rol speelt. Volgens Pels is Fortuyn een prachtig voorbeeld van een ‘cross-over intelectual’. Pels wil meer grip op dit overstekend wild krijgen. Hij formuleert een theorie van de politiek bohème. Deze figuur bevindt zich in een grijze zone waarin extreem links en rechts elkaar raken. Intellectuelen kunnen daarin gemakkelijk oversteken van de ene kant van het politieke spectrum naar de andere. Deze grijze zone maakt onmogelijke ideologische combinaties mogelijk. Pels noemt Oscar Wilde, Georges Sorel, Hendrik de Man en Martin Heidegger als voorbeelden. Volgens Pels is Mussert niet het meest aansprekende Nederlandse voorbeeld. Zijn voorkeur gaat uit naar de scherpzinnige intellectueel Jacques de Kadt. Pels wil graag ‘het magnetische veld van de bohème’ verder onderzoeken met het hoefijzermodel zoals dat eerder is uiteengezet door de politicoloog Daalder.
‘Het vleugelmodel beschrijft een horizontaal en eendimensionaal continuüm waarin de linker en rechtervleugel worden gescheiden door het politieke midden waar de beide extremen op maximale afstand van elkaar komen te staan. Het is echter duidelijk dat een politieke artiest zoals Fortuyn niet gemakkelijk kan worden gelokaliseerd binnen zo’n traditioneel links rechts schema. Dat lukt beter in het hoefijzermodel, waarin de links-rechts schaal geen rechte lijn vormt, maar een kromme, die de uiteinden naar elkaar toe buigt. Hier wordt het continuüm dus figuurlijk kromgetrokken zodat les extremes se touchent (althans bijna). Aan het horizontale schema wordt een verticale dimensie toegevoegd, zodat er nu ook verschillen kunnen worden gemeten langs een tweede, sentimentele of emotionele as die verloopt van conservatisme via reformisme naar extremisme, en die relatief onafhankelijk is van verschillen op de schaal van rationele politieke denkbeelden’.(p. 25)
Pels onderscheidt drie fasen in het denken van Fortuyn: een marxistische, een sociaal-liberale en een communitaristische of volksnationalistische fase. Tezamen vormen zij een drieluik. Het dialectische drieluik en de theorie van de politieke bohème zijn naar mijn mening de meest interessante onderdelen in het boek. De invulling van het drieluik is redelijk geslaagd, hoewel de nadruk vooral op de eerste periode ligt: Fortuyns linkse periode in Groningen.
Bij nadere beschouwing gaat het boek vooral over de sociologie in het Noorden des lands. Dit verklaart waarom de eerste pogingen tot analyse van het verschijnsel Fortuyn vooral afkomstig zijn van sociologen die ooit in Groningen hebben gestudeerd of gewerkt. Bart Tromp bijvoorbeeld analyseert Fortuyn in relatie tot de plesbicitaire democratie, terwijl Joop Ellemers de gezagstypologie van Weber hanteert om grip te krijgen op Fortuyn.
Pels op zijn beurt, analyseert eigenlijk zijn eigen gedachtewereld. Hoewel hij fors uithaalt naar de spruitjescultuur van de LPF, trekt hij nauwelijks het boetekleed aan over de periode waarin links Nederland zich verloor in discussies over de relatieve autonomie van de staat. Het Groningse debat tussen Tromp, Pels en Fortuyn wordt in het boek eigenlijk zonder Pim voortgezet. Pels kent aan de ene kant bewondering voor Fortuyn, maar plaatst aan de andere kant vele denigrerende opmerkingen over de hoofdpersoon en zijn aanhang. Pels mist waarschijnlijk door zijn ervaringen met Fortuyn de distantie om het verschijnsel koel te analyseren.
Interessanter nog, dan de gedachtewereld van Fortuyn, is het politiek-sociologische feit dat 1,6 miljoen kiezers in 2002 op de LPF hebben gestemd. Het zijn niet alleen intellectuelen die de overstap van links naar rechts maken, maar tevens een deel van de achterban, die als stemmers op een linkse partij worden gekoesterd, maar als aanhang van een rechtse partij worden verketterd.
Pels heeft vooral de ideeën van Fortuyn willen analyseren. Hij steekt de draak met de aanhangers van Fortuyn, waarvan Mat Herben nog altijd veronderstelt dat er een lijntje met Pim is. Het merkwaardige is dat Pels zelf voortdurend koketteert met het feit dat hij Fortuyn heeft gekend. Pels maakt in de eerste zin van het boek duidelijk dat Fortuyn op hem viel en stelt daarna:
‘Eerlijk is eerlijk, ook de schrijver van dit boek zit met een woordvoerderprobleem. Ik ben geen vriend van Pim, zelfs niet een voormalige. Maar ik ben evenmin een verklaarde vijand. Ik ben eerder een vage “kennis”, die hem in zijn Groningse tijd een aantal malen heeft ontmoet. Maar dat lijntje is zo dun dat het gemakkelijk breekt. Daarom beschouw ik dit boek als een denkbiografie, en ben ik tijdens de weergave van zijn gedachtegoed steeds met Pim in gesprek. Dat wil zeggen: als ik hem sprekend op voer spreek ik tegelijkertijd ook namens mezelf. Mijn reconstructie van zijn gedachtegoed is nadrukkelijk mijn constructie, die geen aanspraak maakt op volledigheid of objectiviteit en die geen geprivilegieerde toegang verschaft tot de ware diepte van zijn geest’ (p. 16).
De aanzet tot de theorie van de politieke bohème is interessant, maar de uitwerking is ronduit zwak, met name op het punt van de vergelijking tussen personen die ook voor de aanduiding politiek bohème in aanmerking komen. De vergelijkingen tussen Fortuyn en de andere overstekende intellectuelen komen niet goed uit de verf. Juist omdat deze vergelijkingen zo gevoelig zijn, had Pels hier meer werk van moeten maken.
Zeker, er ligt een interessant boek dat een ieder die in de recente politieke geschiedenis van Nederland geïnteresseerd dient aan te schaffen. De weergave van het gedachtegoed van Fortuyn is redelijk gelukt, hoewel de vooringenomenheid van de auteur zo nu en dan overduidelijk is. De compositie van het boek is echter niet strak genoeg, waardoor het hoefijzermodel en de theorie van de politieke dandy in de lucht blijven hangen. Pels heeft teveel van zijn onderwerpen uit zijn oude boeken in dit nieuwe boek gestopt.

Dick Pels: De geest van Pim. Het gedachtegoed van een politieke dandy. Anthos. Amsterdam 2003. 316 pgs. ISBN: 90 414 07677. € 21,90

Jouke de Vries is hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit Leiden en wetenschappelijk directeur van Campus Den Haag van diezelfde universiteit