ACHTERGROND - MARE 11, 20 november 2003

Ronald Breugelmans promoveert op Leids drukker uit Gouden Eeuw

Geen kunstenaar, maar zakenman

Joannes Maire was een succesvolle Leidse drukker uit de Gouden Eeuw. Conservator Ronald Breugelmans deed twintig jaar onderzoek naar zijn werk. ‘Ik moet niks hebben van dat romantische gedoe over boekdrukkers. Hij was gewoon een zakenman.’

Bart Funnekotter

‘Kijk, gehad van Maarten Biesheuvel.’ Ronald Breugelmans (60) opent een in kalfsleer gebonden boek en vouwt een prachtige prent uit met daarop een voorstelling uit de Oudheid. ‘Maarten hoorde dat ik voor mijn proefschrift met de drukker van dit boek bezig was. Het leek hem een aardig cadeau.’
Een aardig cadeau is het zeker. Alleen de prent is al honderden euro’s waard. De drukker van al dit fraais, en het onderwerp van het proefschrift Fac et Spera waar Breugelmans vandaag op is gepromoveerd, heet Joannes Maire (1576?-1667). Wie de pagina’s van het boek bestudeert, ziet onmiddellijk dat hij zijn vak verstond. Breugelmans: ‘Moet je zien hoe mooi ze er na al die eeuwen nog uit zien. Maire was heel zuinig op zijn spullen; bijna nergens zijn er beschadigingen aan de gebruikte letters. Hij wilde duidelijk kwaliteit leveren. Als een letter beschadigd was, ging die meteen de loodpot in om er een nieuwe van te smelten.’
Met de verdediging van zijn proefschrift is er voor Breugelmans een einde gekomen aan een zoektocht van twee decennia. De hele wereld heeft hij, persoonlijk of met behulp van computers en catalogi, afgespeurd naar werk van uitgever, drukker en boekverkoper Joannes Maire. ‘Veel van wat hij gedrukt heeft, is te vinden in de Leidse Universiteitsbibliotheek, maar veel ook niet. Vooral de door Maire vervaardigde dissertaties zijn daar slecht vertegenwoordigd. Gelukkig namen buitenlandse studenten die boekwerkjes vaak mee naar huis. Ik ben ze tegengekomen in Zweden, Hongarije en zelfs Japan. In het laatste geval was het natuurlijk niet door een student meegenomen, maar is het later aangekocht.’
Zo’n vijfentwintig jaar geleden kwam Breugelmans voor het eerst in aanraking met het werk van Maire. Hij was toen conservator westerse drukwerken van de UB en zag de naam van de drukker regelmatig langskomen. ‘Toen besloot ik dat het misschien wel een goed idee was een bibliografie van de door hem vervaardigde boeken samen te stellen. Harm Beukers, mijn uiteindelijke promotor, raadde me aan er een uitgebreide inleiding bij te schrijven, zodat ik op het onderzoek kon promoveren. Dat heb ik gedaan, hoewel het me lang niet meeviel. Ik ben niet zo goed in het beschrijven van gebeurtenissen en personen. Ik beschrijf liever dingen.’
Gelukkig waren er heel wat door Maire gemaakte boeken te beschrijven. Breugelmans kwam tot 527 werken. ‘Daarmee denk ik dat ik negentig procent van zijn productie te pakken heb. Er kan nog wel wat bijkomen, maar enorme toevoegingen verwacht ik niet meer. De belangrijkste boeken heb ik in ieder geval zeker allemaal beschreven.’
En Maire publiceerde in de ruim dertig jaar dat hij actief was heel wat belangrijke boeken, zo ontdekte Breugelmans. ‘Hij zat al vanaf 1603 als boekverkoper en uitgever in het vak en in 1626 ging hij ook als drukker aan de slag. Het eerste boekwerkje dat hij vervaardigde was een bundel met gedichten van niemand minder dan Daniël Heinsius. Die was toen pas 23, maar een protégé van de beroemde hoogleraar Scaliger. Een aanstormend talent dus en dat had Maire goed gezien. Hij drukte als zijn tweede boek Heinsius’ dissertatie en vestigde zich daarmee als een potentieel belangrijke drukker en uitgever van wetenschappelijk werk, want Heinsius zou zich later natuurlijk ontwikkelen tot een van de belangrijkste Leidse geleerden aller tijden. Ook van andere grote namen als René Descartes, Hugo de Groot en Gerardus Vossius zou Maire later boeken uitgeven.’
De drukker beperkte zich niet tot het uitgeven van wetenschappelijke boeken. Hij liet ook de nodige commerciële bestsellers het daglicht zien. ‘Natuurlijk, er moest ook gewoon geld worden verdiend. Van dat romantisch beeld dat er van de vroege drukkers bestaat, moet ik niks hebben. Ze zaten echt niet alleen in het vak omdat ze er zo van genoten om mooie boeken te maken. Net zo als de uitgevers van nu waren het gewoon zakenlui.’
En dus drukte Maire in fikse oplages studieboeken voor de studenten van de Leidse universiteit. ‘Dat was natuurlijk goed verdienen. Daarnaast bracht hij twintig werken van Erasmus in een handige serie op de markt.’
Voor het uitbrengen van die serie was Maire overigens wel afhankelijk van zijn editor Willem Henricus Vorstius, want zelf beheerste hij het Latijn niet. Breugelmans: ‘Voor de brieven die in het Latijn geschreven dienden te worden, moest hij zijn zoon inschakelen. Zelfs daarvoor kende hij de taal niet goed genoeg. Hij was eigenlijk een heel gewone jongen, die een goede neus voor zakendoen had.’
Gewone jongen of niet, Breugelmans vindt dat er tot nu toe te weinig erkenning is geweest voor het vakmanschap van Joannnes Maire. ‘Hij stond toch altijd in de schaduw van uitgevers als Raphelengius en Elsevier. Ik denk dat hun reputatie niet altijd terecht groter is geweest dan die van Maire.’
In de loop der jaren heeft Breugelmans als conservator van de Leidse UB overigens mooi de kans gehad de Maire-collectie uit te breiden. ‘Als ik in een catalogus van een antiquair of veilinghuis een Maire langs zag komen en hij viel binnen het budget, dan schafte ik die aan. Dat was natuurlijk perfect aan de baan die ik had.’
Hij is sowieso tevreden over zijn jaren bij de Leidse UB. ‘Ik heb daar al die tijd in een zeer prettige omgeving mijn werk kunnen doen. En ik heb heel veel mooie boeken gezien. Soms word je daar na al die jaren wat blasé van, maar dat is natuurlijk een enorm voorrecht. Er is geen dag geweest dat ik met tegenzin naar mijn werk ging.’
Hij corrigeert zich. ‘Alhoewel, als bleek dat er iets gestolen was, dan was ik daar dagen lichamelijk onwel van. Ik zat daar mijn best te doen om alle boeken in goede staat te bewaren en dan besloot iemand even met een stanleymes een plaat uit een boek te snijden. Verschrikkelijk, alsof ze aan mijn eigen spullen kwamen. Zo’n man als de conservator van het Legermuseum in Delft die onlangs in het nieuws was omdat hij zijn eigen bibliotheek had leeggestolen, dat geloof je toch niet?’
Om ‘zijn’ boeken hoeft Breugelmans zich sinds dit jaar echter geen zorgen meer te maken. Hij is opgehouden als conservator en gaat binnenkort als wetenschappelijk medewerker van de UB aan de slag. ‘Ik zie er naar uit om aan een bibliografie van de Raphelengii te gaan werken en ik heb nog wat andere interessante projecten op stapel staan.’
Al is hij dan geen conservator meer, als privé-persoon mag Breugelmans nog steeds graag boeken verzamelen. ‘Mevrouw mijn echtgenote zocht nog een leuk cadeautje voor mijn promotie. En wat kom ik daar tegen in een catalogus van een antiquair? De enige eerste druk van Elsschot die ik nog niet in mijn bezit had. En dan zegt men dat God niet bestaat.’

R. Breugelmans: Fac et Spera. Joannes Maire: Publisher, Printer and Bookseller in Leiden, 1603-1657 Promotie was op 20 november