ACHTERGROND - MARE 1, 4 september 2003

Archeologiestudenten graven in Schipluiden naar de Steentijd

Magische kralen en skeletten

Elke ochtend staat er om half acht een bus klaar op de Witte Singel. Bestemming: de Harnaschpolder in Schipluiden. Leidse archeologiestudenten graven daar naar resten van de Nieuwe Steentijd. ‘Ik heb nu dus een stukje kever van vijfduizend jaar oud in mijn hand!’

Christiaan Weijts

Op het eerste gezicht lijkt er weinig te zien: een uitgegraven vlakte in een polder, drieëneenhalve meter diep, met daarin lange rijen zand- en kleihopen, afgewisseld met gladgestreken stroken grond. Onder het lawaai van een radio breken bouwvakkers de kassen erachter af. Aan de overkant raast het verkeer over een snelweg. De Harnaschpolder in Schipluiden, de rand van een kassengebied, twintig minuten rijden van Delft.
Toch liggen hier de oudste sporen van de menselijke beschaving in West-Nederland. Tussen 3900 en 3500 v. Chr. maakten mensen voortdurend gebruik van het duintje in het kustlandschap, dat nu is blootgelegd. Een groot team van Leidse studenten en archeologen van Archol (de archeologische B.V. van de Universiteit Leiden) onderzoekt al twaalf weken de resten van deze prehistorische beschaving. Het Hoogheemraadschap Delfland, dat hier in november begint met de bouw van een grote afvalwaterzuiveringsinstallatie, betaalt het veldwerk. Kosten: een miljoen euro.
Iedere ochtend om half acht vertrekt de groep gravers, momenteel zo’n 40 studenten groot, met een bus vanaf de Witte Singel. Van half negen tot half zes zijn de studenten vervolgens bezig. Stagevergoeding: 25 euro per dag. De meeste studenten Đ die uit alle jaren afkomstig zijn - doen deze stage voor hun verplichte ‘Fieldwork’-stage.
Voor prof. Leendert Louwe Kooijmans, die de wetenschappelijke leiding heeft, en dit collegejaar officieel met emeritaat gaat, is het een hoogtepunt van zijn carrière. Nog niet eerder heeft hij op zo’n grote schaal kunnen graven naar de periode die hem het meeste boeit: de overgang van jagers naar boeren.
‘Dat is een proces van vele eeuwen geweest’, vertelt hij, in zijn veldkleding in een bouwkeet die als hoofdkwartier van de opgraving fungeert. ‘Het curieuze is dat mensen hier een boerenbedrijf hadden, terwijl ze toch aan de kust zaten, met veel zout water. We hebben nu zestigduizend botfragmenten gevonden, voornamelijk rundvee en waarschijnlijk ook varkens.’ Of er het hele jaar door vaste bewoning heeft gezeten, gespecialiseerd veehouderschap, of dat het een tijdelijk kamp was voor rondtrekkende veehouders als koeiendrijvers, zal na onderzoek van het gevonden materiaal moeten blijken. Wel zijn er vier graven gevonden met skeletten van vijf volwassen mannen. ‘Dat kan een aanwijzing zijn voor permanente bewoning.’

Buiten, in de bouwput, zijn groepjes studenten aan het werk in de zes meter brede sleuven. Op de bodem ligt een wirwar van witte kaartjes met nummertjes. ‘Die geven de plekken aan waar er een verkleuring in de grond zit’, legt vijfdejaars Roosje de Leeuwen uit. ‘Zo’n grondspoor kan van alles betekenen: een paal, een menselijke begraving, een brandkuil. Daar kom je pas achter als je hem openmaakt.’
Met de schop maken studenten een kuil in het gebied van de verkleuring, en meten de vondstplaats nauwkeurig op, die ze op een vel papier uittekenen, samen met informatie als de verschillende kleuren en zandsoorten. Als alles is vastgelegd, worden de vondsten verzameld in bakjes. Olaf van Twist, zesdejaars, is net de vondsten uit een waterkuil aan het halen. Laag voor laag schraapt hij met een schop de grond weg uit de donkere grond. Couperen, noemen de kenners dat. Van Twist: ‘Als ik een hele donkere plek zie, of iets hards voel, dan zit daar waarschijnlijk iets, stukjes steen, bot.’ In een plastic bakje naast de kuil zitten een stuk of acht van dit soort sporen.
Soms vindt iemand iets bijzonders, zoals vuurstenen gereedschap of gitkralen (kralen van materiaal uit de Franse Kanaalkust, waar mensen een magische werking aan toedichtten). Andere topstukken onder de vondsten zijn de skeletten (‘op het moment dat zoiets gevonden wordt, roepen we iedereen bij elkaar voor een leermoment’), barnstenen hangertjes, een gewei van een edelhert, benen priemen en beitels.
lsquo;Je gaat je wel voorstellen hoe deze mensen hier dus vijfduizend jaar geleden geleefd moeten hebben’, zegt Van Twist. ‘Ik probeer te snappen wat mensen hier met deze waterkuil gedaan hebben.’
Twintig meter verderop is een andere groep bezig aan wat waarschijnlijkste de mooiste vondst is: de resten van een compleet huisje. ‘Dit is het oudst bekende huis van West-Nederland’, vertelt Anne van Hilst (vierdejaars) enthousiast. ‘Die lange sleuven zijn doorsneden van de wandgreppel’, wijst ze aan. ‘Rechts moet de ingang zijn geweest, en die paaltjes zouden iets als een voorraadschuur kunnen zijn.’ Rondom het hele gebied is een reeks paalsporen gevonden, wat naar alle waarschijnlijkheid een hek geweest is, om vee bij elkaar te houden.
Terug bij de bouwketen is er een grote loods waar de vondstverwerking plaatsvindt. Ook hier zijn de studenten aan de slag. Louwe Kooijmans: ‘Studenten worden op alle verschillende aspecten ingezet, zodat ze niet alleen maar met de schop bezig zijn, maar op verschillende analysemogelijkheden leren inspelen.’ In de loods worden alle vondsten ge•nventariseerd. Van ieder spoor worden de geografische cošrdinaten ingelezen door een infraroodteoliet, en in deze loods beschrijven studenten het materiaal uitgebreid. ‘Zo krijgen ze een hoop materiaal in handen, daaraan ontbreekt het in de studie nog wel eens.’ Alle gegevens gaan daarna in een database, die een kaart van het gebied reconstrueert. ‘Dat duurt vier dagen, dus de kaarten die je ziet lopen vier dagen achter.’
Achter de loods is een garage, waar twee studenten bezig zijn met het zeven van grondmonsters. Via bakken met steeds fijnmaziger zeven worden hier geselecteerde samples uit 3000 liter grond gezeefd. Sibe Huime, tweedejaars, laat zien hoe dat in zijn werk gaat. Met een sproeier spuit hij water in de zeefbakken, en speurt hij naar materiaal. Tegen het einde van de dag vindt hij hier stukjes organisch materiaal, bewaard gebleven in de kleilaag, zoals een kieuwdeksel van een kabeljauw, of, als juwelen die ineens in paars fonkelen in de modder: keverresten, waarschijnlijk van mestkevers, maar dat gaat een deskundige nog onderzoeken. Huime: ‘Die stop ik in een buisje, met water erbij. Het is heel gek om te beseffen: ik heb hier dus een stukje kever van vijfduizend jaar oud in mijn handen!’