HOOFDARTIKEL - MARE 24, 14 maart 2002

Jouke de Vries schrijft boek over Paars I

De managementstaat baarde Fortuyn

Was het Wim die de weg bereidde voor Pim? Die conclusie van publicist Paul Scheffer vindt stevige grond in het pas verschenen ‘Paars en de managementstaat’ van de Leidse hoogleraar bestuurskunde Jouke de Vries. Al zou De Vries het iets preciezer formuleren: het is de ‘managementstaat’, al ingezet onder Lubbers, die de opkomst van Fortuyn mogelijk maakt.

Wim Kok lijkt de weg van zijn voorganger Ruud Lubbers te gaan. Geprezen tijdens zijn bewind, maar aan het eind veel van zijn glans verloren. Lubbers deed zichzelf de das om, onder andere door het gehannes met zijn kroonprins Elco Brinkman. Kok lijkt gevloerd te worden door de man die zich nog steeds met de professorstitel tooit, maar vooral de onvrede van de laaggeschoolde Nederlander exploiteert. ‘Kort en goed: het is Wim die Pim heeft gebaard. (…) Kok heeft geen bijdrage geleverd aan de meningsvorming over de multi-etnische samenleving en dat kan hem verweten worden’, schrijft Paul Scheffer in een opiniebijdrage getiteld ‘De verloren jaren van Kok’ in NRC Handelsblad van 2 maart.
Dat is niet verwonderlijk, zegt de lezer van het boek over het eerste paarse kabinet van de hand van de Leidse bestuurskundige Jouke de Vries. Want in de ‘managementstaat’ draait alles om beheersing en conflictvermijding. Managers hebben een broertje dood aan het publieke debat. Kok is daarvan een exponent – maar niet de aanstichter.

Bedrijf
De Vries is wetenschapper en heeft dus een theorie. In dit geval: het onderzoek van Harvard-bestuurskundige Peter Hall naar beleidsveranderingen in de Engelse politiek. Hall stelt dat veranderde economische ideeën verantwoordelijk zijn voor majeure politieke koerswijzigingen. In de jaren tachtig van de vorige eeuw vervingen nieuwe economische opvattingen met een grotere rol voor de markt het tot dan toe heersende Keynesianisme waarin de nadruk op overheidsingrijpen lag. In het spoor daarvan saneerden in Nederland de kabinetten van premier Lubbers de verzorgingsstaat.
Dáár ligt het werkelijke breukvlak in de Nederlandse politiek, analyseert De Vries, en niet bij de komst van Paars. De ‘managementstaat‘ die dan ontstaat, kijkt zijn organisatievorm en ideologie af van het bedrijfsleven. De staat is een bedrijf, resultaatgericht werken is de opgave van de politiek. Wim Kok, ex-vakbondsleider maar tevens alumnus van Nijenrode, heeft zich in de loop der jaren aan dat denken aangepast.
Ook het geestelijk vaderschap van Paars komt Kok niet toe. Uit De Vries‘ gesprekken met de belangrijkste betrokkenen blijkt dat alleen Van Mierlo er aanspraak op mocht maken. Bolkestein zegt bijvoorbeeld: ‘Van Mierlo was meer pro-Paars dan ik, en ik was meer pro-Paars dan Wim Kok. Logisch, er waren binnen de PvdA bepaalde ressentimenten tegen de VVD waar hij mee te maken had. Net zoals ik Wiegel had die dwarslag, zo had hij ook mensen die absoluut niet met de klassenvijand wilden regeren.‘

’Politici zijn hun taak om problemen te formuleren uit het oog verloren’
Ook Kok erkent dat tegenover De Vries. ‘Dat Van Mierlo de nummer 1 voorstander van Paars was, klopt. Hij had zijn hele ziel en zaligheid opgeknoopt aan het idee dat er een kabinet zonder CDA zou komen. Dat gold voor mij niet. Ik had vier jaar met het CDA samengewerkt. We hebben vier en een half jaar de kastanjes uit het vuur gehaald, terwijl de VVD en D66 lekker onderuit in de oppositie zaten zonder zelf een bijdrage te leveren.(..) De keuze voor de kleur van het kabinet maakte ik ondergeschikt aan de vraag of er een programmatische basis was voor de samenwerking tussen de PvdA en de VVD, alhoewel de VVD op een aantal punten al dichter bij de PvdA stond dan werd verondersteld.’
‘De omstandigheden dwongen Kok uiteindelijk tot Paars’, luidt De Vries’ conclusie dan ook. Toch konden de Paarse partners elkaar wel vinden op een aantal punten. Naast bekende thema’s als het terugdringen van de werkloosheid en de uitvoering van grote infrastructurele projecten, bleken er ook echt gemeenschappelijke Paarse opvattingen te bestaan over de politieke cultuur zoals het herstel van ‘het primaat van de politiek’ en het dualisme.
Het eerste betekende dat het ‘maatschappelijk middenveld’ een kluwen van adviesorganen en belangenorganisaties, minder macht zou moeten krijgen, het tweede dat het parlement en het kabinet niet te veel met elkaar verstrengeld mochten zijn. Maar juist die punten waren het lastigst te realiseren, zo blijkt uit De Vries’ beschrijving van een aantal casus.
De enige die erin slaagde zich zelfstandig van de lobbies los te maken en het primaat van de politiek te laten gelden was landbouwminister Jozias van Aartsen. Maar bij zijn voorstel de varkensstapel in te krimpen, werd hij wel geholpen door de varkenspest. Op het terrein van de volkshuisvesting kon staatssecretaris Dick Tommel de vruchten plukken van de verzelfstandiging van de woningcorporaties die al eerder was ingezet. Desondanks botste hij frequent met de Kamer. Minister Margreet de Boer van VROM kwam bij kwesties rond Schiphol en de verlenging van de A73 klem te zitten tussen haar collega’s en de milieubeweging. En minister Melkert zag de traditionele overlegeconomie met de sociale partners bestendigd worden, maar dit keer in de gedaante van het poldermodel.
In de drie ‘beleidscrises’ van Paars I die De Vries beschrijft - de CTSV-affaire, de justitiecrisis en Srebrenica - blijkt ook het dualisme nauwelijks tegen de politieke praktijk bestand. Het schrijnendste voorbeeld is de onvoorwaardelijke steun van D66 voor haar in de verdrukking geraakte minister Sorgdrager. ‘De situatie was voor D66 uiterst pijnlijk omdat deze partij staatsrechtelijke zuiverheid hoog in het vaandel voerde. De afstand tussen de leer en de praktijk van de partij die Paars principieel afdwong, was bijzonder groot’, schrijft De Vries.
Ook minister Voorhoeve werd na Srebrenica in het zadel gehouden door Kok en Bolkestein, omdat ze meenden dat niet hij, maar de NAVO voor het debacle verantwoordelijk was. Voorhoeve zelf wilde tot twee keer toe aftreden. Het werkte het beeld van de ‘sorry-democratie’ in de hand, waar Marijnissen, Balkenende en Fortuyn sindsdien op insprongen. In de internationale theorievorming over de managementstaat heet het: het geleidelijk verdwijnen van de politieke verantwoording.
Het is de spanning tussen de ‘lichte’ en ‘zware’ variant van de politiek die het mislukken van veel Paarse voornemens verklaart, aldus De Vries. De zware, ideologische kant van Paars was er wel degelijk (dualisme, primaat van de politiek, maar ook: de sanering van de landbouwsector en de verzorgingsstaat), maar ze liep ook nogal eens stuk op de lichte kant: politiek als management, ‘dingen snel voor elkaar krijgen’, ‘zaken doen’.

Debatteren
Al met al is de balans voor het eerste kabinet-Kok - het meest succesvolle van de twee! - in het boek niet onverdeeld gunstig. Op financieel en sociaal-economisch terrein ging het crescendo, dankzij de Zalm-norm en de economische hoogconjunctuur. Kok zelf wist een imago van integriteit te creëren en werd gaandeweg steeds meer beschouwd als ‘premier voor alle Nederlanders’. Maar in de politieke cultuur bracht Paars I (en II) ondanks zijn pretenties nauwelijks vernieuwing.
De link met de opkomst van Fortuyn en de leefbaren wordt in het boek niet expliciet gelegd, maar is gemakkelijk te construeren. Jouke de Vries heeft dat inmiddels ook zelf gedaan, in een interview met dagblad Trouw. ‘Politici zijn hun taak om problemen te formuleren en daarover te debatteren uit het oog verloren. Dan laat je een gat voor Fortuyn vallen.’

Jouke de Vries: Paars en de managementstaat. Het eerste kabinet-Kok (1994-1998). Leuven/Apeldoorn 2002. €19.