ACHTERGROND - MARE 5, 26 september 2002

Leids ontzet door de ogen van tijdgenoten

Hutspot en Hondenbotten

Christiaan Weijts

Drie oktober is hét feest voor Leidse locals. Wat ze vieren? Dat wordt duidelijk in een boek waarin het beleg en ontzet van Leiden aan de hand van verslagen, dagboekfragmenten en brieven uit die tijd worden beschreven.

Volgende week is het weer zover. Dan sleept een mensenmenigte zich voort door de stad, langs stalletjes en marktkraampjes, over de gierende megakermis en door de vette frituurwalmen. Overal muziek, bier op straat getapt in plastic, en uitzinnig schreeuwende jongeren die vanuit alle omringende polderdorpen komen aangebrommerd en ‘s nachts altijd wel ergens voor een relletje of mooie vechtpartij zorgen.
Wie net vers als student in Leiden is aangekomen, weet niet wat hem overkomt. Het anders zo kalme studentenstadje is veranderd in een decor voor een krankzinnig folklorefestijn, dat misschien nog wel het meeste wegheeft van het carnaval van beneden de rivieren of de ‘Koninginnenach‘ in Den Haag.
Drie oktober, onder Leidse locals beter bekend als dwrieh oktohwbewr, is dé datum waar elke rechtgeaarde Leidenaar het hele jaar naar uitkijkt. Maar wat wordt er op die dag ook al weer gevierd?
Wie opgelet heeft bij de geschiedenisles weet misschien de term ‘Leids ontzet‘ met de datum te verbinden. Wie nog beter heeft opgelet weet er zelfs het jaartal 1574 aan te plakken en kan vertellen dat de Spanjaarden die de stad omsingeld hadden, in de avond van 2 oktober de aftocht bliezen.
Maar wat is nu het hele verhaal van het beleg en het ontzet van Leiden, die legendarische episode uit de Tachtigjarige Oorlog? Iedere Leidse student of medewerker hoort het eigenlijk te kennen, al is het alleen maar omdat hij er zijn bestaan aan heeft te danken. Willem van Oranje schonk de stad een universiteit omdat de inwoners zich zo dapper teweer hadden gesteld tegen de Spaanse belegeraars.
Hoe erbarmelijk de toestand van de Leidenaren tijdens dit beleg was, blijkt wel uit het pas verschenen boekje Het Leids ontzet, van Johan Koppenol, hoogleraar Oudere Nederlandse Letterkunde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Koppenol verzamelde en vertaalde verslagen, dagboekfragmenten en brieven, van zestiende-eeuwse tijdgenoten.
Zo beschrijft rederijker Jan Fruytiers in welke staat de bevolking werd aangetroffen kort na het ontzet: ‘er waren velen die al zeven weken geen brood hadden gegeten en niets dan water gedronken. Voor de welgestelden was het eten van paardenvlees inmiddels net zo gewoon als schapenvlees. Honden en katten werden in de stadspoorten gebraden (...). Sommigen aten druivenbladeren, gekookt met zout en stijfsel, anderen aten fijngesneden gras met zout en paardenvet. (...) Men heeft gezien dat arme vrouwen, met hun mantel over het hoofd getrokken, op de mesthopen zaten om naar botten van beesten te zoeken. Jongelui kloven op beenderen waar eerder honden aan hadden geknaagd.‘
Ziekte, honger en ellende. Het is het resultaat van twee belegeringen waarin de Spaanse bevelhebber Valdez de stad hermetisch had afgesloten. De eerste was van oktober 1573 tot maart 1574. De Spanjaarden trokken toen weg om op de Mokerhei tegen het leger van Lodewijk van Nassau te vechten.
Maar op 26 mei van hetzelfde jaar stonden de Spanjaarden - met vijfduizend man - al weer voor de poorten. ‘In de nacht van dinsdag 25 op woensdag 26 mei 1574, ‘s avonds om zeven uur, zijn de soldaten van de hertog van Alva teruggekomen in Leiderdorp. Zij hebben zich stilletjes verborgen gehouden en de wegen en doorgangen die de Leidenaren moesten gebruiken bezet met klein veldgeschut‘, zo meldt een anoniem ‘Dagverhaal‘ dat in het rampjaar in Leiden is opgetekend.
Niemand mocht de stad meer uit. Wie dat wel deed was een ‘glipper‘, een verrader. Een Amsterdamse dagboekschrijver, Broeder Wouter Jacobsz, beschrijft de lotgevallen van een zuster uit het klooster Roomburg die ‘geglipt‘ was, en die in de veronderstelling dat het wel weer veilig was terugkeerde: ‘Men ving haar, kleedde haar uit, sleepte haar rond en maakte haar in smadelijke bewoordingen uit voor verraadster.‘
Alleen een enkeling mocht door de schansen doorsluipen om bijvoorbeeld postduiven naar de Prins van Oranje in Delft te sturen. De meest curieuze van deze epistels is opgenomen in Koppenols boekje. Op 6 juli 1574 schrijft het stadsbestuur aan Willem van Oranje dat het best goed gaat, en dat er nog voedsel genoeg is om tot aan de kerst stand te houden. Koppenol beargumenteert dat deze brief helemaal niet bedoeld is voor Oranje, maar juist voor de Spaanse belegeraars, die hiermee om de tuin moesten worden geleid.
In werkelijkheid was er in Leiden nauwelijks meer voedsel. De legende wil dat burgemeester Van der Werff tegen de protesterende bevolking (waarvan een groot deel zich al wilde overgeven) gezegd zou hebben dat hij nog liever zijn eigen lichaam als voedsel aanbood, dan dat zich over te geven. Deze mythe - op elke Leidse basisschool nog altijd verteld - wordt door de documenten sterk ontkracht. Stadssecretaris Janus Dousa schildert Van der Werff af als iemand die wankelde en zelfs bereid was te onderhandelingen over overgave.
Uiteindelijk moest Willem van Oranje redding bieden door de dijken van Holland door te steken. Het water zou de Spanjaarden verdrijven. Pas toen begin oktober de wind naar het zuiden draaide, kon het water doorstromen, en kwam een Geuzenvloot de stad ontzetten. De Geuzen brachten haring met wittebrood mee voor de bevolking.
Ook het ontzet zelf is met mythen omgeven. Wat bijvoorbeeld te denken van het verhaal dat een klein jongetje, Cornelis Joppenszoon, in de nacht van 2 op 3 oktober een stoet lichtjes van de stad weg zag trekken? (De Spanjaarden vluchtten weg, een gebeurtenis die nog altijd in de avond van 2 oktober met de traditionele Taptoe wordt nagebootst, een lampionnentocht van kindersportverenigingen). Of dat deze Cornelis de volgende ochtend bij de Lammenschans, belangrijkste belegeringsbolwerk, een pot aantrof met wortelen, uien en pastinaken, die voortaan ‘hutspot‘ genoemd wordt, en elke 3 oktober nog door Leidenaren wordt gegeten?
Het zijn de vele mythen die de gebeurtenis moeten romantiseren en die verantwoordelijk zijn voor aardige drie-oktoberrituelen. Het directe realisme van de documenten die Koppenol hier bundelt is daar een mooi tegenwicht tegen, dat niettemin leest als een spannend jongensboek.
Wie volgende week een ritje in de spin maakt, moet nog maar eens terugdenken aan de getuigenis van Jan Fruytiers vlak na het ontzet: ‘De prins van Oranje kwam de volgende dag direct naar Leiden en dankte de burgers ten zeerste omdat zij zich, ondanks het feit dat ze geen soldaten waren zo dapper hadden gesteld tijdens het beleg. Hij voorspelde dat hun kindskinderen dit nog zouden gedenken.‘

Johan Koppenol (samenstelling): Het Leids ontzet. Athenaeum - Polak & Van Gennep. 136 blz. € 12,95