counter free hit unique web
HOOFDARTIKEL - Mare 20, 8 februari 2007

‘Ik ben Douwe Durk’

FRANK PROVOOST EN DAVID BREMMER
Na zes jaar draagt rector magnificus en collegevoorzitter Douwe Breimer zijn taken over aan zijn opvolger Paul van der Heijden. Mare trok met Breimer naar zijn Friese geboortegrond. ‘Melken leerde ik op Cornelia 15. Die was het makkelijkst.’

Het heeft hem veel moeite gekost om de knoop door te hakken. Hij wist dat het beter was om te stoppen, maar eigenlijk had hij ook meteen spijt. Mede dankzij zijn vrouw heeft hij toch doorgezet.

‘Ik ben 31 jaar boer geweest’, zegt Jacob Breimer (60) aan zijn keukentafel in Aldemardum (Oudemirdum). ‘En nu ben ik het al zeven jaren niet meer.’

Tegenwoordig werkt hij als agrarisch makelaar en loopbaanadviseur. Een potentiële klant zit aan de andere kant van de tafel. Broer Douwe (63) is vandaag op bezoek. Hij zal op 8 februari, de dies natalis van de Leidse universiteit, zijn baan als rector magnificus en collegevoorzitter overdragen aan Paul van der Heijden, tot voor kort rector aan de universiteit van Amsterdam.

Vanaf dat moment keert hij naar eigen zeggen ‘terug naar de periferie van mijn eigen vakgebied. Dan wil ik mijn agenda enkel nog laten bepalen door mijn belangstelling.’ Zijn broer: ‘Je krijgt het best nog even moeilijk.’ De rector: ‘Dat krijg ik ook nog.’

Voorafgaand aan de officiële machtsoverdracht trok Mare met Breimer naar zijn Friese geboortestreek Gaasterland, waar plaatsnamen als Kolderwolde, Sloten en Hooibergen nog in kleine letters onder Kolderwâlde, Sleat en Heaburgen op de borden staan.

Vanuit de taxibus met chauffeur blikt Breimer terug en gidst tegelijkertijd: ’Rechts ligt de Brekkenpolder, daar kon je vroeger alleen met de boot komen.’ En: ‘Hier fietste ik elke dag naar school. Zeven kilometer heen en terug. Nu zijn het heel behoorlijke wegen, maar toen waren het smalle klinkerweggetjes.’ Wie goed kijkt, ziet bovendien dat de regio wordt overspoeld met allochtonen: ‘Mensen met vakantiehuisjes. Die kunnen hier prachtig fietsen.’

Achter de koffie in de vrijstaande woning van broer Jacob - Stiendollen 7 - komen meer herinneringen boven. Over de keer dat de boerderij was ingesneeuwd. Over het hutten bouwen, oorlogje spelen en het rijden op de rolly, het karretje waarmee melkbussen over een rails van de stal naar de weg werden vervoerd.

Tegen elkaar praten de broers Fries. ‘Het zou heel onnatuurlijk zijn om dat niet te doen’, verduidelijkt de rector. ‘Hij is Jappie, ik ben Douwe Durk.’

Douwe: ‘Toen mijn oudste broer de boerderij niet overnam, was ik niet zonder meer de gedoodverfde opvolger. “Die jongen van jullie kan te goed leren”, zei een leraar tegen mijn vader, “moet die wel boer worden?” “Hij moet niks”, antwoordde hij.

Jacob, de jongste van de drie: ‘En toen was ik er nog. Vader stelde mij voor de keus: óf je wordt boer, óf ik verkoop de boerderij. Douwe moest maar meester worden, dus eerst naar de Mulo in Balk gaan. Dat deed iedereen die goed kon leren.’

Douwe: ‘Mijn vader stimuleerde dat. Hij zag het als een bijbelse opgave: als iemand talent heeft, moet hij dat niet begraven.’ Jacob: ‘Toen hij later naar de hbs in Sneek ging, lag aan het eind van iedere maand het geld voor de bus uitgeteld op de schouw.’ Douwe: ‘Mijn vader was een kleine boer, dus ik was als student afhankelijk van een beurs. Soms kreeg ik wel eens honderd gulden van hem, maar dan zei hij erbij: “Dit is wol de lęste!”

Jacob: ‘Douwe was een buitenbeentje. Hij was de eerste in de familie die ging studeren. Dat hij naar Groningen ging; dat was het buitenland.’ Douwe: ‘Ik wilde dat wel. Vanaf het moment dat ik met de bus naar de hbs in Sneek ging, hoorde ik al niet meer bij de dorpsjeugd.’

En hoewel de rector een andere lijfspreuk heeft, lijkt het porseleinen schoteltje in de gang van zijn broer zeer toepasselijk: ‘Doch dyn plicht, en lit de lju rabje.’ (Doe je plicht en laat de mensen kletsen.) Inmiddels, zegt zijn broer ‘leeft het hele dorp mee. “Douwe is weer in het nieuws”, hoor je dan. Buurtbewoners gooien krantenknipsels in de brievenbus uit Trouw, Friesch Dagblad of het Reformatorisch Dagblad - want er wonen hier ook van die zware jongens. Die krant wijdde een hele pagina aan het eredoctoraat van de koningin.’

‘Melken leerde ik op Cornelia 15. Die was het makkelijkst’

‘Er staat nog veel gęrs op, niet?’ De huidige bewoner van de ouderlijke boerderij van de Breimers – Jan Schotanuswei 10 in Oldemirdum - kijkt uit over zijn groene weiland. ‘Dat krijg je met die warme winters.’

Jacob Breimer weet nog hoe ze schreeuwend en slaand met pannendeksels de ganzen van het land joegen. Hij wijst naar een bos aan de horizon. ‘Pas als ik ze over die bomen had, wist ik dat ze niet meer terugkwamen.’

Sinds 1875 staat hier de zogeheten Stjelp-boerderij, te herkennen aan de houten zwanen op de nok. Douwe Breimer: ‘Van de slaapkamer op zolder stapten we zo de hooizolder binnen.’ De boer: ‘Dat gaat nu niet meer.’

Bij een klein aanbouwsel naast de stallen: ‘Hier was de wc. Om daar te komen moest je door de stal lopen of buitenom. Weet je waarom? Daaronder lag de gierput.’

De boer waarschuwt voor de hond die uit de stal komt: gevaarlijk is hij niet, aanhankelijk wel. ‘Ik zeg altijd maar zo: de eerste moet-ie nog opeten.’ ‘Pas op’, roept Breimer even later vanuit de schuur, ‘er liggen hier allemaal drollen.’ Hij kijkt naar de koeien, die allemaal op stal staan: ‘Melken leerde ik op Cornelia 15. Die was het makkelijkst.’

‘We hadden 20 hectare land en 25 koeien en wat varkens en kippen’, zegt Jacob. ‘Douwe werd ontzien, hij was als boer niet meer in beeld.’ Douwe: ‘Ik werd wel geacht in te springen, maar minder dan de rest. Jacob: ‘In de hooitijd moest alles en iedereen aantreden.’ Douwe: ‘In mijn eerste studiejaar moest ik terugkomen om te hooien. Ik zie mezelf nog studeren in een boek over organische chemie, om vervolgens zwaar fysiek aan het werk te gaan. Dat was nogal surrealistisch.’

Zijn geboortegrond bezoekt hij inmiddels ‘drie tot vier keer’ per jaar. En ook al is ‘de verhouding tussen alle broers prima’, elkaar bellen doen ze ook niet veel. Jacob: ‘We hebben de indruk dat Douwe het redelijk druk heeft. Maar hopelijk gaat dat veranderen.’ Douwe: ‘Ik was zeer verheugd dat jullie erbij waren toen ik ereburger van Leiden werd. En op de dies zie ik jullie weer in de Pieterskerk.’


De sloot die naast de oprijlaan ligt, sluit aan op de Elfstedenroute. ‘Schaatsen was bij ons geen keuze. Toen ik vier, vijf jaar oud was zette moeder me op het ijs. Je mocht er pas weer afkomen, als je kon rijden.’

Even later - in de buurt van Kolderwolde - passeert de bus een vaart die uitkomt op een groot meer. ‘Als de Elfstedentocht wordt gereden vertrek ik om 4 uur ’s nachts uit Leiden om te gaan kijken. Vorige keer stond ik naast dat huisje daar. Dan komt alles onder dat bruggetje door. Zestienduizend deelnemers zie je ze zo de Fluessen op schaatsen. Mijn grootvader heeft daar vroeger nog banen uitgezet.’


‘De Fontein’, staat er op het bordje aan het hek voor de kerk van Oudemirdum. Breimer: ‘Hier liggen mijn ouders begraven. Wij kerkten hier ook. Iedere zondag zat ik vooraan bij mijn vader in de banken van de kerkenraad.’

In zijn studententijd, zegt hij, werd hij geconfronteerd ‘met allerlei nieuwe denktranten die je zo het geloof doen afzweren’. Maar: ‘Ik had een zeer goede studentenpredikant. Het bood houvast om je geloof niet vaarwel te hoeven zeggen. De kerk is voor mij een rustpunt dat tijd biedt voor reflectie. Er is meer dan de materiele wereld.’

Met zijn vrouw bezoekt hij nog steeds de hervormde kerk in Oegstgeest. De kinderen zijn gedoopt. ‘Heel vaak ga ik niet, een aantal malen per jaar. Ik vind de inhoud van wat de predikant zegt niet eens zo belangrijk, maar wel dat je deel uitmaakt van een eeuwenoude traditie. Ik geloof niet zo in een opperwezen en de hemel, maar ik sluit niets uit.’

In zijn leven gold tot nu toe: het geluk valt toe aan degene die zich er het meest op voorbereidt. ‘Die uitspraak van Louis Pasteur citeer ik te pas en te onpas. Dat is ook op mezelf van toepassing. Ik heb veel geluk gehad doordat de omstandigheden op beslissende momenten precies aansloten op mijn ambities.’

Enkele voorbeelden: toen zijn vakgebied farmacie bij de grote bezuinigingen van minister Deetman leek te verdwijnen, kreeg Leiden er uiteindelijk de opleiding biofarmaceutische wetenschappen met het onderzoeksinstituut Leiden Amsterdam Center for Drugs Research (LACDR) voor terug. ‘Dat heeft heel goed uitgepakt.’

Helemaal vanzelf ging het niet: ‘Op een zondagochtend in 1983 - op vaderdag – moest ik daarover samen met rector Kassenaar zwaar gaan onderhandelen. We zijn naar Malden gegaan, naar het huis van Roel in ’t Veld, toen directeur-generaal van het ministerie van Onderwijs. Wij waren keurig in pak en die In ’t Veld liep in korte broek op blote pootjes.’

Ook het aanbod om rector magnificus te worden kwam ruim zes jaar geleden zeer gelegen. ‘Als LACDR-directeur vroeg ik mij net af of ik nog zes, zeven jaar hetzelfde wilde doen.’


De bus stopt in Balk, bij It Hoekstee, nummer 3. Haskestaete heet het makelaarskantoor volgens de lichtgevende letters aan de gevel. Niets herinnert er meer aan, treurt Breimer, maar hier stond vroeger de Mulo.

‘In september was het 50 jaar geleden dat ik hier begon. Ik heb alle klasgenoten van toen uitgenodigd in Leiden. Ze waren er bijna allemaal, 24 van de 28.’

Na het eindexamen van de Mulo en een toelatingsexamen scheikunde en staatsinrichting ging hij naar de vierde klas van de hbs. ‘Mijn talen kende ik dankzij de Mulo. Mit, nach, bei, seit, von, zu... Dat was een solide basis waar ik veel profijt van had. Maar voor wis-, natuur- en scheikunde moest ik echt flink mijn best doen.’

Twee jaar lang fietste hij eerst zeven kilometer naar Balk en nam daar de bus naar Sneek. ‘Hemelsbreed bedroeg die afstand misschien 25 kilometer, maar de bus stopte in alle dorpen en deed er daardoor tien kilometer langer over. Thuis vertrok ik om kwart over zeven, dan kwam ik om half negen aan.’

’Daarna kwam het dilemma: wat moest ik gaan studeren? Ik heb me laten testen, wat toen helemaal niet gebruikelijk was. Er kwamen drie dingen uit: actuaris oftewel levensverzekeringswiskundige; chemisch ingenieur, maar zo technisch ben ik niet; en farmacie. Dat laatste verraste mij. Op het platteland waren immers geen apotheken - die hielden huisartsen gewoon aan huis. Maar ik was goed in bčtavakken en bij farmacie kwamen die allemaal samen.

Een ander voordeel: als je geneeskunde, tandheelkunde of farmacie studeerde, hoefde je niet in militaire dienst. Je kreeg ook vrijstelling als je ging promoveren. Uiteindelijk ben ik nog wel twee maanden als rekruut gedrild in Ossendrecht. Ach, daar word je ook niet slechter van.’

Hij ging naar Groningen. ‘Die studentenstad bruist ook in het weekend. Dat vind ik nog steeds een gemis aan Leiden.’ Bij de studentenvereniging SSR leerde hij zijn vrouw kennen.

De toenemende fascinatie voor onderzoek werd in Groningen aangewakkerd door professor Faber. ‘Dat heb je echt nodig: een leermeester die iets in je ziet, je bij de hand meeneemt. Ik ging met hem naar een driedaags congres in Duitsland. Ik mocht drie maanden experimenteel onderzoek doen aan de universiteit van Strathclyde, in Schotland. Zo iemand laat je die thrill ervaren.

‘In Birmingham heb ik mijn eerste wetenschappelijke presentatie gehouden. Ik was 23 en heb twee dagen niet gegeten, zo zenuwachtig was ik. Het publiek mocht achteraf stemmen of ik in de Journal of Pharmacy & Pharmacology mocht publiceren.’

Na zijn studietijd kreeg Breimer een promotieplaats aan het farmacologisch laboratorium in Nijmegen, ‘toen van wereldfaam’. ‘Naast mijn eigen promotieonderzoek deden we er allerlei dingen bij. In hasj, dat begin jaren zeventig erg in de belangstelling stond, ontdekten we allerlei nieuwe bestanddelen. Daar haalden we een publicatie mee in Science.’

‘Ook deed ik onderzoek naar slaapmiddelen. Proefpersonen rekruteerden we zelf, we gaven ze een middel en lieten ze slapen op de bank. Bloed namen we ook zelf af. Protocollen, ethische commissies, niets daarvan. Er moest alleen een arts op afroep zijn.’

‘Het was een gouden tijd’, vindt hij. Pharmacokinetics of hypnotic drugs heette het proefschrift. Met nadruk: ‘Afgerond in precies vier jaar tijd.’ Maar dat was wel hard werken, geeft hij toe, want ook privé was het ‘een heftige periode’. Drie van zijn vier dochters werden geboren.

Hoewel hij van plan was naar het buitenland te gaan, werd hij gevraagd hoogleraar farmacologie in Leiden te worden. ‘Dat was in 1974. Zo’n aanbieding wilde ik als broekie van dertig niet laten lopen.’ Het gezin verhuisde naar het westen. ‘Op basis van de salarisschaal voor hoogleraren hadden we een huis gekocht. Maar de minister van Onderwijs vond dat wat te gortig. Die heeft speciaal voor mij en Victor Halberstadt die net bij rechten begon, een maatregel van bestuur genomen waardoor het salaris leeftijdsafhankelijk werd. Ik heb toen met universiteitssecretaris Hofstee onderhandeld over de nodige toeslagen. Dat heeft een halfjaar geduurd. Uiteindelijk ben op 1 mei 1975 benoemd en mocht ik tijdens het vierhonderdjarig bestaan van de Leidse universiteit voor het eerst mijn toga aan. Maar mijn werk was al in augustus daarvoor begonnen.’


Het is tijd voor een late lunch. In het restaurant Galamadammen neemt de rector een hap van zijn uitsmijter, met achter hem het uitgestrekte uitzicht op het meer de Morra. ‘Ik lunch eigenlijk alleen tijdens vergaderingen’, zegt hij, ‘maar heel soms, als ik snert ruik in het Bestuursbureau, sneak ik even naar beneden.’

In dit hotel-restaurant werd op zijn initiatief enkele malen de strategische conferentie van de Leidse universiteit gehouden. Zestig bestuurders vergaderden er over het toekomstige beleid. ‘Hier is Kiezen voor Talent geboren’, zegt Breimer.

‘Mijn ambities waren om van deze universiteit een nog betere te maken. Of dat ook is gelukt moet je eigenlijk niet aan mij vragen. Wel hebben we ons nationaal en internationaal gemanifesteerd, bijvoorbeeld door de League of European Research Universities (LERU) op te richten. De positie van Leiden is nog altijd een vooraanstaande. We staan er financieel beter voor, al waren daar ingrijpende reorganisaties bij Rechten en Wiskunde en Natuurwetenschappen voor nodig. Tegelijkertijd heb ik 230 oraties bijgewoond. Dat zegt wel iets over het benoemingsbeleid.’

De stroperigheid van het centrale bestuur vond hij ‘soms frustrerend’. ‘Ik ben erg resultaatgericht. Dingen gaan mij nooit snel genoeg. Het is alleen heel lastig om als college van bestuur de zaken snel op de werkvloer te laten gebeuren. Als directeur van een instituut is dat veel eenvoudiger. Misschien dat ik daarom een beetje controlfreak ben, ik wil dat dingen gebeuren.’

Vandaar dat de dossiers met studentenhuisvesting en invoering van het bachelor-mastersysteem zo lastig waren. ‘Daar zie je niet snel resultaat.’

Dat ‘gebrek aan geduld’ verklaart ook waarom hij zich nooit politiek heeft ingezet. Het zal ook zeker niet gebeuren: ‘Dan heb ik toch echt voor de verkeerde partij gekozen. Ik ben al jaren passief lid van D66. Wat me aanspreekt is dat het liberaal socialistisch denken niet dogmatisch is. D66 heeft geen automatische kiezers, zoals PvdA of CDA. Helaas kunnen die dat goed aan zichzelf uitleggen, maar niet aan anderen. Ik zal mijn lidmaatschap niet opzeggen, maar ik vind dat de partij zich moet beraden of ze zichzelf niet heeft overleefd.’


Op weg naar huis over de Afsluitdijk, weet Breimer niet wat overheerst: weemoed of opluchting. ‘Ik heb vooraf gezegd dat ik het zes jaar zou doen, dus ik wist wat me te wachten stond.’ Hij is tevreden met zijn opvolger: ‘Er is een overdrachtsdossier gemaakt. Ik heb een paar keer met Paul van der Heijden gesproken.’

Hij is blij met de opbouw van het college van bestuur, waarin collegevoorzitter en rector magnificus zijn verenigd in één functie. ‘Ook in de Verenigde Staten zie je dat de president een vooraanstaande wetenschapper is of is geweest.’

Wat hem betreft ‘is de structuur van de universiteit nooit vanzelfsprekend’. ‘Je moet altijd denken: zijn we wel optimaal bezig?’

Verder moet er meer worden binnengehaald uit de tweede en derde geldstroom - geld buiten de directe financiering van de overheid om. En wetenschappers moeten meer over de grenzen van hun vakgebied heenkijken, maar ‘die oproep deed ik ook jaarlijks in mijn “herderlijke schrijven” aan alle hoogleraren, waarin ik op een niet al te dwingende toon belangrijke punten wilde aanstippen. We hebben fantastische onderzoekers, maar ik heb altijd het idee dat we er nog meer mee kunnen doen.’

Na de dies gaat hij met zijn vrouw door Mexico reizen. En dan? ‘Ik heb een werkplek in het LACDR gekregen. Daar gaat mijn boekenkast heen, het zou een schok voor mijn vrouw zijn als die in zijn geheel naar huis zou gaan. Ik ga geen onderzoek meer doen, dat lukt niet meer als je er zes jaar uit bent geweest. Wel wil ik me met dingen bemoeien in de rol van adviseur.’

Ander voornemen: minder tijd naar de universiteit en meer naar kleinkinderen, opera, theater en nieuwe boeken. De afgelopen zes jaar was hij ’s avonds vaak weg. ‘Dat hoort erbij als je deze functie goed wil invullen. Ook op zondag bezoek je dan de opening van een tentoonstelling of een concert. Je moet het kunnen opbrengen om dat soort dingen interessant te vinden en het niet als corvee te zien.’

Maar dat is straks dus voorbij, toch? ‘Mijn vrouw twijfelt er wel eens aan of ik er inderdaad in slaag.’


David Bremmer en Frank Provoost