counter free hit unique web
WETENSCHAP - Mare 07, 13 oktober 2005

Leidse huisarts promoveert op geschiedenis van cholera

Eerst gal braken, dan aderlaten

HANS VAN SCHAREN
‘Als de dokter komt, dachten Leidse cholerapatiënten halverwege de negentiende eeuw, ‘ga ik zeker de pijp uit’. De Leidse huisarts Har Meijer promoveert deze week op een geschiedenis van drie decennia cholera in Leiden. ‘De geneesheren zou in huidige tijd niet misstaan in een real life soap.

Toen in 1832 plots een onbekende, dodelijke ziekte door de Leidse achterbuurten raasde, wisten het handjevol dokters en het gemeentebestuur zich geen raad. Hoewel de geneeskundigen zich krom werkten, stierven de verpauperde inwoners bij bosjes aan de cholera. Bij gebrek aan middelen en kennis, maakten de medici ook nog eens de verkeerde keuzen. De dokter werd kop van Jut.

‘Omtrent het ontstaan of de aard en de verschijnselen dezer duistere ziekte valt niets bijzonders aan te merken wat eenig licht zou kunnen verspreiden’, leest Har Meijer voor uit een gemeenteverslag van 1855. Behalve dergelijke verslagen las Meijer stapels moeilijk leesbare brieven en correspondentie van in hun tijd beruchte artsen als Haesebroek, Dozy en Baert.

Deze week promoveert Har Meijer op het medisch geschiedkundig onderzoek Het vuil, de stad en de dokter. In geuren en kleuren beschrijft hij hoe er werd omgesprongen met maar liefst vijf cholera-epidemieën tussen 1832 en 1866. Pas met de ontdekking van de cholerabacterie in 1883 door Robert Koch, wist men welk monster men eigenlijk trachtte te bestrijden.

Meijer groeide op in een Leidse volkswijk, werkte vele jaren als huisarts in de binnenstad en kent de kleine en grote pijntjes van de mensen achter de gevels. Het proefschrift was voor hem ook een persoonlijke, bijna emotionele zoektocht naar de achtergronden van traumatische epidemieën, de sociale situatie van zijn voorouders in de negentiende eeuw, de rol van zijn voorgangers en de slechte maatschappelijke positie van de dokter. Promotor en rector magnificus Douwe Breimer stimuleerde Meijer om er een toegankelijke, bijna populair wetenschappelijke tekst van te maken. Het leest, met een beetje fantasie, als een filmscenario.

Meijer: ‘De titel van dit boek – ontleend aan het toneelstuk Het vuil, de stad en de dood van de bekende Duitse toneel- en filmmaker Rainer Werner Fassbinder - illustreert waar het in dit verhaal om gaat: de interactie tussen stedelijke overheid en stadsgeneesheren tegen een achtergrond van de onhygiënische situatie die de cholera in Leiden – en elders – ruim baan gaf. Het doen en laten van de Leidse geneesheren zou in huidige tijd niet misstaan in een real life soap. Hoewel hun rol in deze geschiedenis in wezen diep tragisch was, vond ik het passend om hun functioneren in een theaterstuk te verpakken.’

Volgens Meijer heeft de inhoud van zijn studie ook iets weg van een theaterstuk: ‘De hoofdrolspelers, de dokters, moesten zich staande houden tegen een dramatisch decor, cholera in een arme en vervuilde stad met een negatief imago. Aan het einde van de voorstelling zal blijken hoe moeilijk hun taak was.’

Maar waar haalt hij zijn fascinatie voor deze donkere periode? Meijer begon in 1968 als huisarts in het St.Elizabeth ziekenhuis aan de Hooigracht, in 1892 opgericht door de zusters Franciscanessen. Er waren in Leiden wel meer ziekenhuizen op religieuze grondslag, en dat was weer mede een gevolg van het falen van de reguliere gezondheidszorg. ‘Ik ging in de archieven zoeken naar de oorsprong van dat ziekenhuis en vond heel weinig. Wél vond ik uitgebreide verslagen over langdradige discussies – die maar liefst twintig jaar duurden – over de verpleging van de armen in stadsziekenhuizen en de noodzaak voor de bouw van een nieuw ziekenhuis.

‘Toen ik die stukken las, kwam ik in aanraking met de verschillende cholera-epidemieën die Leiden hadden geteisterd. Ik dacht toen dat het interessant zou zijn om te onderzoeken hoe men in die tijd met een onbekende ziekte omging. Toen ik met dit onderzoek begon, was aids in opkomst. En ik herinner me hoe mensen op het academisch ziekenhuis toen met de handen in het haar zaten vanwege een volstrekt nieuw ziektebeeld, dat ze niet konden duiden. Jarenlang heeft de medische wereld geworsteld met dat ziektebeeld.

‘Stel je dus een dokter in negentiende eeuw voor, heel slecht uitgerust met een minimale kennis, die geconfronteerd wordt met de cholera Aziatica, vermoedelijk in Scheveningen aan land gebracht door botersmokkelaars en zo verder verspreid. De dokters konden wel goede beschrijvingen maken van wat ze bij hun patiënten zagen en noemden het op een gegeven moment cholera, naar het gal braken. Maar wat het precies was, wisten ze totaal niet. Die paar stadsdokters waren van zeer goede wil en werkten keihard in totaal verpauperde en gore wijken. De meesten moesten alles lopend doen, een paard en wagen was voor de rijkeren.

‘Maar ja, ze deden in het begin wel alles verkeerd. Een cholerapatiënt heeft extreem last van braken en diarree en sterft door uitdroging. Wat deden de dokters? Aderlaten, nog meer vocht aan de patiënt onttrekken! Of ze smeerde de buik in met mosterdpap, waardoor de darmen nog meer werden aangezet tot ontledigen. Ze dachten: “Als we de zieke nu maar volledig laten leeglopen, al het slechte eruit”. Dat ging dus volledig mis, want de meeste patiënten gingen dood.’

Leiden had in die tijd het academisch ziekenhuis en het stadsziekenhuis – het Cecilia gasthuis, het huidige Boerhavemuseum. Maar zeker dat laatste was zó slecht – het lekte overal en oppassers, vaak bedelaars van de straat geplukt, deugden niet – dat men cholerapatiënten daar niet wilde leggen. Dus richtte men cholerahospitalen op. Meijer: ‘Maar alle mensen die daar kwamen overleden ook direct. Dat ging dus als een lopend vuurtje door de stad. “Verdomme’, dachten de mensen, “als die dokter komt, ga ik zeker de pijp uit.” De zes stadsdokters op een bevolking van ruim 30 duizend inwoners kwamen heel snel in diskrediet en er ontstond een negatieve spiraal. Het gemeentebestuur vreesde ook het morrende volk en legde de schuld ook bij de dokters. Op zich overleed gemiddeld maar drie procent van de Leidse bevolking tijdens zo’n epidemie, maar het hakte er wel in, het zorgde voor angst.

‘In het begin van mijn huisartsenpraktijk heb ik ook nog mensen tegen cholera gevaccineerd, maar inmiddels ligt de ziekte, anders dan in Afrika en Azië, ver buiten onze belevingswereld. Met zoutoplossingen en anti-biotica is een cholerapatiënt geholpen.’

Met de laatste epidemie in Leiden in 1866, schakelde men over van therapeutische behandelingen als aderlaten naar allerlei middeltjes zoals de opiumdrankjes van dr. Bleeker. De kranten stonden vol met advertenties voor allerlei kwakzalversmiddeltjes.

Een rode draad is de kwetsbare maatschappelijke positie van dokters en de vertrouwensband met hun patiënten. Meijer ziet wat parallellen met de huidige tijd: ‘Nu is er ook continu kritiek op de huisarts, legt de overheid voortdurend strakkere budgetten op. Je ziet dat dokters zich nu – net als toen – toch steeds meer op zichzelf terugtrekken en hun werk zoveel mogelijk inperken. Dat resulteert in minder maatschappelijke betrokkenheid van dokters dan vroeger. En de enige die daar de dupe van wordt is de patiënt. Je moet de dokters zoveel mogelijk vrijheid geven en ervan uitgaan dat die het fatsoen en de innerlijke beschaving hebben om dat netjes te doen. Als je daar aan gaat twijfelen heeft dat repercussies voor patiënten. Wat doet de overheid? Dokters voorstellen als een bende zakkenvullers!

‘Ik vrees ook dat met de nieuwe Zorgwet van de regering ook Jan met de pet weer als eerste de dupe zal worden. Ik weet uit mijn praktijk: veel mensen uit lagere sociale klassen zijn niet in staat te kiezen en op zoek te gaan naar zorg op maat. Ze weten het niet, het interesseert hen niet, ze doen het niet!’ Je moet er niet aan denken, vindt hij, dat er bijvoorbeeld een van vogelgriepepidemie in Nederland zou uitbreken: ‘Dan zou men wellicht net als de Leidse studentenschrijver Kneppelhout stellen dat “die paupers te lamlendig zijn” om een beter bestaan op te bouwen.’