counter free hit unique web
HOOFDARTIKEL - Mare 23, 10 maart 2005

Wandelen door Wolkers’ werk

Christiaan Weijts

Boekenweekauteur Jan Wolkers bracht zijn jeugd en de oorlogsjaren door in Leiden en Oegstgeest, plaatsen die ook in zijn oeuvre prominent zijn. Peter van Zonneveld, docent moderne Nederlandse letterkunde, maakte er een wandel- en fietsroute van.

‘Hij belde me wel eens als het gestormd had. Dan moest ik gaan kijken of bepaalde bomen er nog stonden.’ In een besneeuwde Hortus Botanicus vertelt dr. Peter van Zonneveld, docent moderne Nederlandse letterkunde, over Jan Wolkers, die dit jaar tachtig wordt en voor het eerst sinds twintig jaar weer een roman schreef, het boekenweekgeschenk.

‘Hij komt hier ook nog steeds af en toe, om te tekenen. Hij is erg goed met de Hortulanus, en heeft voor zijn tuin op Texel een stekje gekregen van deze tulpenboom, die nog door Boerhaave is geplant.’

De boom staat direct links van de toegangspoort. De hoofdpersoon uit Wolkers’ Terug naar Oegstgeest herinnert zich hoe hij als kind moest schreeuwen van opwinding zodra hij de poort door was: ‘De echo van mijn opgewonden stem klonk tussen de majestueuze stammen van kastanje, ginkgo en treurbeuk op en moet tot op de Witte Singel te horen zijn geweest.

Aan de hand van fragmenten uit het oeuvre van Jan Wolkers, stippelde Van Zonneveld een wandelroute door het centrum van Leiden uit, en een fietstocht door Oegstgeest: Terug naar Leiden en Oegstgeest. Fietsen en wandelen met Jan Wolkers.

Het huis waar hij, in oktober 1925, als derde in een gezin van elf kinderen geboren wordt, de kruidenierszaak van zijn vader, het Pathologisch Laboratorium waar de veertienjarige Wolkers dierenverzorger was, de zolder op de Lange Mare waar hij in de oorlog onderdook, of de Korenbrug waar meneer Rozier van zijn fiets donderde: ze zijn in romans en verhalen verwerkt en bestaan nog steeds.

‘Toen ik het boekje schreef ging ik overdag met de auto naar Leiden, haalde de fiets uit de achterbak en fietste dan door naar Oegstgeest’, vertelt Van Zonneveld, koers zettend naar het Rapenburg. ‘Van bepaalde elementen was ik niet helemaal zeker meer, en ook Wolkers wist het niet meer.’ Zoals het distributiekantoor in het Wilhelminapark in Oegstgeest, waar Wolkers in de oorlog als jongste bediende werkte. ‘Ik wist niet exact welk huis het was. Toen ik daar op een zondagmiddag kwam, stond er een oudere man zijn auto te wassen. Nou, bingo. Hij kon het huis aanwijzen. Ik had een foto bij me, uit 1943, waarop het personeel op een stoepje zit. Dus ik heb me door de heg gewrongen aan de achterkant, en inderdaad, het stoepje was er nog.’

Op het Rapenburg zou Van Zonneveld bij elk pand wel een verhaal kunnen vertellen. Bilderdijk woonde er, Klikspaan, Karel van het Reve is er ooit in het water gevallen… ‘Dat literatuur zich ook in Leiden kan afspelen, heb ik altijd al fascinerend gevonden. Ik las Wolkers’ werk begin jaren zestig. De inhoud was vrij schokkend voor de vijftienjarige die ik toen was. En het is ontzettend leuk als je die plaatsen herkent.’

In Kort Amerikaans komt bijvoorbeeld een lampenkappenatelier voor, in het huis van een jonkheer aan de Boerhaavelaan. Wolkers was in 1943 naar Leiden verhuisd, zat ondergedoken en verdiende geld met het beschilderen van lampenkappen.

‘Op het moment dat ik dit boek las, zat ik een straat verderop op de middelbare school.’ Ook dit huisnummer was in de vergetelheid geraakt. ‘Gelukkig wist Wolkers nog hoe jonkheer d’Ailleurs in werkelijkheid heette, namelijk De Milly. Dan is het een kwestie van naar het gemeentearchief gaan waar ze het adresboek uit 1940-1941 op microfiche hebben, en het probleem was opgelost.’

Via het museum van Oudheden – de Wolkers uit Terug naar Oegstgeest tekende hier in de zomer van 1943 en ontvreemdde wat beenderen uit de doodskist van een soldaat – en het Gerecht bereiken we de Pieterskerkgracht. Net als Eric uit de roman Kort Amerikaans staan we stil.

Halverwege de Pieterskerkgracht bleef hij staan en keek naar de gevel van de schilderacademie aan de overkant. Vlak onder de dakgoot zaten twee gevelstenen waarop, tegen een fluweelzachte achtergrond, in gouden kapitalen stond RUST BAART LUST en MET GOD IS RUST.’

Op nr. 110 kreeg Ans op haar billen

Van Zonneveld wijst de tekst aan op het pand op nummer 9, teken- en schilderacademie Ars Aemula Naturae, een van de hoogtepunten van de wandeling, omdat het pand in meerdere boeken een belangrijk decor is.

‘Eric wordt hier verliefd op een gipsen tors, die stond hier voor het raam, tot vorig jaar nog. In de jaren vijftig had ik hier beneden judoles. Toen ik dat boek een paar jaar later las, dacht ik: verrek. Dan blijkt die plaats ineens tot literatuur verheven te zijn.’

Hier ontmoette Eric ook de eenzelvige schilder K. de Spin, die NSB-er was, evenals de directeur van de academie, en hier zouden ook de hoofdpersoon en het joodse meisje aan hun eind komen. Van Zonneveld: ‘Op bevrijdingsdag dringt het verzet hier binnen, ze zien hem staan en schieten hem overhoop, omdat ze denken dat het een NSB-nest is. Sterk gedramatiseerd natuurlijk allemaal. Wolkers gebruikt de werkelijkheid en geeft daar een dramatisch effect aan. Eric van Poelgeest is dood, maar Jan Wolkers leeft nog, net als die NSB-directeur. Toen Wolkers zijn naam een keer noemde, keek ik snel in het telefoonboek. Hij woonde nog gewoon in Voorschoten.’

In zijn essay ‘In de schaduw van het voorgeslacht’ vertelt Wolkers dat hij hier in 1943 en ’44 lessen volgde bij NSB-leden. De directrice was zo opgetogen over zijn werk dat zij verklaarde dat hij wel kon uitgroeien tot ‘de Rembrandt van het Derde Rijk.’

Ook schilder K. de Spin komt in meerdere boeken en verhalen voor in verschillende variaties. ‘In Kort Amerikaans pleegt hij zelfmoord. In De Walgvogel wordt hij gearresteerd en heeft hij een schilderij op zijn hoofd stukgeslagen als hij naar buiten wordt gebracht. Wolkers zegt ergens dat die laatste afbeelding dichter bij de werkelijkheid ligt.’

Uiteraard dook Van Zonneveld er in. ‘Toen ik voor het eerst Kort Amerikaans las ben ik naar de Petruskerk bij de Lammerschansweg gefietst, waar De Spin op uitkeek. Maar ik dacht: zou dit het wel zijn? Jan Wolkers was er pas gaan kijken, met iemand die een stripalbum van het boek maakt. Hij kon het huis niet meer vinden. Ik zei: het is of de Zeemanlaan of de Lorentzkade, die liggen er vlak achter. Maar nee, zei hij, het was verder weg. Gelukkig wist hij de echte naam van De Spin nog, Herman de Voogd. Dan weet ik genoeg. In het adresboek stond een weduwe De Voogd vermeld, in de Van der Hoevestraat, een klein zijstraatje daarachter.’

Relativerend: ‘De wereldgeschiedenis zal er niet door veranderen, maar toch ben ik blij dat ik deze raadsels tot een oplossing heb kunnen brengen.’

De verhuizing naar dichter bij de kerk heeft volgens Van Zonneveld een functie voor het boek. ‘De Spin kijkt daardoor uit op een blinde muur. Hij zit in een afgesloten wereld. Van die massieve toren gaat een grote dreiging uit.’

We laten de tekenacademie achter ons (‘die jongensgymnastiekschool ernaast is door Kneppelhout gesticht, die was dol op gymnastiek, en ook dol op jongens’) en bereiken, na de brug bij de Waag, de Lange Mare. Achter het zolderraam van nummer 110 werd Ans op haar billen geslagen, poseerde Lien en kwam oom Hendrik op bezoek en uit de Hartebrugkerk waar het raam op uit ziet, stal Eric kaarsen en riep hij: ‘Als Christus onbevlekt ontvangen is, is Maria bij zijn geboorte door hem ontmaagd!’

Van Zonneveld: ‘Zelf ben ik nog gedoopt in deze kerk. Vroeger was hier een gracht, de Mare, die in 1953 gedempt is, maar toen nog niet, zodat er bij Wolkers af en toe zwanen vastgevroren zitten voor het huis.’

Zo zijn er meer van de decorstukken uit Wolkers boeken verdwenen, zoals, opnieuw, een pruimenboom van Boerhaave, maar dan op landgoed Poelgeest. ‘Ik had twintig jaar terug in NRC Handelsblad geschreven dat die boom niet meer bestond. Prompt hing Jan Wolkers aan de telefoon. Hij moest er nog zijn. Ik moest maar eens met de oude meneer Den Hollander praten, de boswachter. Dat deed ik. Het was een beetje een zwijgzame figuur. Hoelang zit u hier al, vroeg ik. Sinds ’38 of zo. Dan had hij dus nog meegemaakt dat de vader van Jan Wolkers er in de tijd van mobilisatie een kantine dreef. Ja, zei hij. Verder niks. We liepen zwijgend naar die boom toe. De stam zelf was er niet meer, wel vier uitspruitsels. Ik probeerde toch maar door te vragen: hoe ging dat dan precies, met die kantine? Hij zei: hij was niet geliefd bij de mannen. Toen was het weer een tijd stil. En uiteindelijk zei hij: hij had te weinig assortiment.

’s Avonds belde ik Wolkers op. Ik heb die boom gevonden, zei ik. En wist je dat je vader niet geliefd was bij de mannen? Jan Wolkers schaterde toen van het lachen.’

Christiaan Weijts

Peter van Zonneveld: Terug naar Leiden en Oegstgeest. Fietsen en wandelen met Jan Wolkers. Meulenhoff, 99 pgs. € 9,50.

Vanavond, donderdag 10 maart, signeert Jan Wolkers het boekenweekgeschenk Zomerhitte bij boekhandel Kooyker aan de Breestraat, van 20.00 tot 21.00 uur.